Berichten: 5670
gebruiker
Verstuur privé bericht
|
Hoofdstuk 2
Het begon te schemeren. Chronolos en Servinos hadden de hele middag over de open velden van Hertinium gelopen en ploften hijgend neer aan de rand van het Woud der Mysteriën, een enorm bos dat een groot gedeelte van Hertinium bedekte. `Is- is het verstandig,' pufte Servinos, `om het Woud te betreden bij schemering?' `Nee,' mompelde Chronolos, die iets overeind ging zitten om over de bosjes het woud in te kijken. `Nee, 's nachts komt er allemaal gespuis tevoorschijn, geen fijne plek om je tussen te bevinden. Weerwolven, Doodsvogels en zeer valse Nimfen' `Hmm, ja, we blijven hier tot het licht is,' besloot Servinos en hij ging op het gras liggen. `Ben je gek, kerel?' vroeg Chronolos bezorgd. `Waar is die avontuurlijke Servinos die altijd met mij mee gaat?' `Het bos in?' vroeg het jonge hulpje ongelovig. `M-maar...' `Kom op, Servinos! We hebben samen de Toren van de Gedrochten schoongeveegd! We hebben samen de Feeks van Ferial verslagen! We hebben-' `Toen hadden we Eluzion!' klaagde Servinos. `En nu wil jij zonder Eluzion het Woud der Mysteriën in? Je bent gek!' `Wat kan ons nou gebeuren?' `Je zei net zelf dat dat bos stikt van de weerwolven en Doodsvogels!' `Je vergeet de Nimfen,' zei Chronolos. `Je denkt serieus dat we niks tegen zullen komen, hé?' `Denk je echt dat die wezens Chronolos de Oppermachtige zullen aanvallen?' `En waarom niet?' `Geloof me, ik ken redelijk wat wezens in dat bos, en de meesten zijn zo gek nog niet. Als we nu doorlopen zijn we in zo'n twee dagen aan de andere kant!' `Maar we weten niet eens waar we heen moeten!' probeerde Servinos nog, maar Chronolos liep al met grote passen het bos in. `Er komt ons wel een oplossing aanwaaien!' riep hij over zijn schouder. Ellendig rende Servinos achter Chronolos aan.
Ver daarvandaan lag Duivelsland. Duivelsland was een een land vol met bergen en een woest landschap. In elke uithoek van het donkere land lag wel een vulkaan, en hoge bergketens fungeerden als natuurlijke grenzen, die uitermate effectief waren in het buiten houden van indringers. De heersers van het land waren vaak oorlogszuchtig, en waren niet bang om geweld te gebruiken om hun zin te krijgen. Zo ook Malomalus. Die had de vorige heerser, Duisterkoning Arantulus met veel geweld afgezet, en hem opgesloten in een sinistere gevangenis. Malomalus had het oude bergfort van zijn voorganger met de grond gelijk gemaakt, en zijn eigen zwarte vesting gemaakt, met niets meer dan zijn eigen Duistere magie. Malomalus ijsbeerde door de zwarte gangen van zijn paleis. Na de koning van Hertinium tijdelijk in de diepe kerkers van het fort te hebben geloosd, was er niet veel meer te doen dan wachten. Zou die vreemde snuiter uit de troonzaal van het kasteel hem al op het spoor zijn? Ja, Malomalus hield wel van een uitdaging, maar hij kon wachten niet uitstaan! Had hij zich niet beter in een hutje in de stad kunnen verbergen? Dan had die... Chronos, of hoe heette die pummel die achter hem aan zat, tenminste niet zo lang nodig om zich te tonen. Ja, die Chronos was uiteraard geen machtige tovenaar zoals Malomalus, die zich in een mum van tijd van land naar land kon transporteren. Zijn favoriete bezigheid was geen optie meer. Die snuiter had zijn draak gedood, op wie hij altijd naar zijn bestemmingen vloog en zo nu en dan een willekeurig dorp in een ander land platbrandde. Hij pinkte een traan weg. Hij durfde best tegen zichzelf toe te geven dat hij Smaralodon miste, maar niet tegen anderen, uiteraard. Wat zou zijn leger volgelingen wel niet van hem denken? Malomalus was nog maar net teruggekeerd van zijn reis, en had zijn volgelingen het verlies van zijn meest trouwe dienaar bekend gemaakt. Vrijwel gelijk probeerde iedereen die maar in de buurt was in een goed licht bij hem te komen. De kapitein van zijn leger, Melchior de Maler, had hem zojuist een fruitmand overhandigd. Maar uiteindelijk had hij iedereen uit de kamer gestuurd. Hij moest even alleen zijn. Malomalus plofte neer op zijn troon, die uit een groot blok marmer gehouwen was. Hij verloor zichzelf even in zijn overpeinzingen. Zijn ogen gleden af naar een tafel die tegen de muur tegenover hem stond. Het zwaard van Chronolos lag er treurig bij. Malomalus stond op en liep naar de tafel. Hij pakte het zwaard vast, gaf een gil en liet het wapen direct vallen. Het gevest van Eluzion was gaan branden. Malomalus zoog op zijn vingers en plofte weer op de troon. Met zijn andere hand pakte hij een belletje en rinkelde ermee. Enkele momenten later ging de deur van het vertrek open en kwam er een man binnen. De man was lang en gezet. Hij had kort, zwart haar en een bijpassende baard. `Ah, Chrestan,' zei Malomalus. `Heer?' vroeg Chrestan en hij boog respectvol. `Roep ze bijeen.' `Met ze bedoelt u-' begon Cherstan. `De Raad van Vijf, uiteraard,' maakte Malomalus zijn zin af. Chrestan boog opnieuw en verdween weer uit de kamer.
`Chronolos?' fluisterde Servinos. Chronolos en Servinos waren tien minuten geleden het Woud der Mysteriën binnengedrongen. Tot nu toe ging het voorspoedig; ze waren nog geen enkel wezen tegengekomen, maar nu klonken er toch vreemde geluiden op tussen de boomtoppen. Er hing een dichte mist tussen de bomen, waardoor het zicht slechts een meter of tien was. `Hmm?' antwoordde Chronolos, die onverstoorbaar verder liep. `Wat was dat voor geluid?' `Welk geluid? Ik hoorde niks.' `Dat geluid! Daar heb je het weer!' Servinos keek verschrikt naar rechts. Chronolos keek ook op. Zijn ogen versmalden tot spleetjes terwijl hij trachtte door de mist te kijken. Hij trok een dun zwaard uit de schede aan zijn riem en hield dat voor zich uit. Zijn ogen vlogen nog steeds alle kanten op. `Hou je gedeisd,' mompelde Chronolos. `We gaan verder, maar blijf op je hoede.' `Waarom? Wat is daar?' fluisterde Servinos en hij tuurde ook langs de bomen. `We worden gevolgd,' was het antwoord. Chronolos liep verder over het pad, op de voet gevolgd door Servinos, die om de zoveel stappen nerveus over zijn schouder keek. `Ik hoop dat ik er naast zit, maar volgens mij glibbert er een reuzenadder achter ons aan.' `Een... je maakt een grapje?' `Zoals ik al zei, ik hoop dat ik er naast zit. Maak vooral geen onverwachte bewegingen.' Zwijgend liepen ze verder. `En wat doen we als... datgene dat ons volgt... ons aanvalt?' piepte Servinos toen er in de bosjes rechts wat kraakte. `Hard rennen lijkt mij een goede optie,' zei Chronolos nuchter. Plots scheerde er een groep luid kwetterende vogels over hun hoofden. Servinos liet zich gillend op de grond vallen en bedekte zijn hoofd met zijn armen. `Zijn ze weg?' vroeg hij na enkele momenten op de grond te hebben gelegen. `Ja,' zei Chronolos met een glimlach en hij trok Servinos overeind.
Vijf stille gedaantes zaten aan het hoofd van een lange tafel. De tafel en de stoelen dienden als het enige meubilair in de vergaderzaal van het Zwarte Paleis. De vijf mannen zwegen en keken elkaar niet aan. Aan het hoofd van de tafel zat Chrestan, die ver boven de anderen uittorende. De enige deur in het vertrek ging open en Malomalus kwam binnen. Hij ging aan het andere uiteinde van de lange tafel zitten. `Zo,' zei hij uiteindelijk. `Goed dat jullie allen op zulke korte termijn konden komen.' Hij wierp een blik op de aanwezigen, die hem allemaal zwijgend aankeken. `Jullie vragen je vast af wat de reden tot deze vergadering is?' zei Malomalus op een toon alsof hij iedereen dwong het te vragen. `Zoals jullie weten, heb ik vrij recentelijk de koning van Hertinium weten te ontvoeren. Tijdens deze daad kwam ik een zekere Chronolos tegen,' zei hij en hij keek wederom naar de vijf mannen die verderop aan de tafel zaten. `Is iemand bekend met deze man?' Iedereen zweeg. De man die het dichtste bij Malomalus zat, bewoog echter wel even. `Ja, Schruwel?' zei Malomalus. De man die bewogen had keek op. `H-heer?' stotterde hij. Het kleine mannetje keek nerveus naar Malomalus. `Ben jij bekend met Chronolos?' `Ik- ik heb zijn n-naam e-eerder gehoord, h-heer,' fluisterde Schruwel en hij wende vlug zijn blik af. `En waar heb jij zijn naam eerder gehoord?' siste Malomalus. `H-hij versloeg de m-machtige Reuzenheer Burkar m-met zijn z-zwaard. H-hij is d-d-de nationale h-held v-van Hertinium, tot nog t-toe onverslaanbaar, heer.' Schruwel wierp vlug een zenuwachtige blik op Malomalus en keek toen vlug weer naar het tafelblad voor hem. `Bedoel je dit zwaard?' vroeg Malomalus en hij haalde Eluzion onder de tafel vandaan. Hij wierp het wapen snel op tafel en deed alsof zijn handen niet aan het verbranden waren. Schruwel wierp vlug een blik op het prachtige zwaard. `Ik g-geloof het wel, heer.' De overige aanwezigen wierpen nieuwsgierige blikken op Eluzion. De man naast Schruwel boog zelfs naar voren om het beter te bekijken. `Heer, hoe komt u daar aan?' vroeg Melchior, de man tegenover Schruwel, bewonderend. `Chronolos was toevallig aanwezig toen ik de koning ontvoerde,' zei Malomalus achteloos. `Ik heb hem zijn zwaard afgenomen.' `De onheilbrenger is zijn macht kwijt,' sprak de gedaante die naast Melchior zat. Hij was gekleed in een zwarte mantel en droeg een donkere kap over zijn hoofd. Op zijn gezicht had hij donkere strepen getekend. `De man met de macht onze meester te verslaan is niks zonder het wapen.' `Weer zo'n uitspraak van jou, Mortamo,' zei Melchior, die hem een vuile blik toewierp. `Stil,' siste Malomalus, en de aanwezigen waren direct stil. `Jullie kijken naar het wapen dat een einde heeft gemaakt aan Smaralodon, mijn trouwste dienaar.' Iedereen in de ruimte wierp een blik op het zwaard. `Bedoelt u-' begon Chrestan. `Ja. Chronolos is verantwoordelijk voor de dood van de draak. Hij zal hiervoor boeten, uiteraard. Stap één was het wegnemen van Eluzion, mogelijk het meest krachtige zwaard ooit gemaakt. Stap twee is het breken van Chronolos, tot ik hem uiteindelijk in stap drie zal vernietigen.' `Hoe gaat u dat doen, heer?' vroeg Melchior. `De koning van Hertinium,' zei Malomalus. `Ik had eerst niet echt een doel voor hem, maar nu... Chronolos zal uiteraard alles doen om hem terug te halen.' `En het zwaard?' vroeg Mortamo. `Ah, ja, het zwaard. Ik wil niet hebben dat dat ding hier blijft slingeren. Ik kan het niet verdragen dat de doodsoorzaak van mijn trouwste dienaar in mijn paleis ligt. Weet iemand een geschikte kandidaat om het zwaard met zijn leven te beschermen?' Melchior stak zijn hand hoog de lucht in. Malomalus keek de anderen één voor een aan. `Heer!' fluisterde Melchior en hij stak zijn hand mogelijk nog hoger op. `Iemand?' zei Malomalus zacht. `Heer! Hier!' piepte Melchior smekend en zijn hand trilde van inspanning. Malomalus zuchtte. `Melchior?' Melchior keek de anderen even triomfantelijk aan. `Ik ken de perfecte kandidaat voor deze taak, heer!' zei hij vlug. `Een van de kapiteins van het leger, Dardalus. Hij is een uitstekende zwaardvechter en-' `Dezelfde die vorige week de keuken opblies in een mislukte poging om te koken?' vroeg Mortamo kil, en Melchior keek hem vernietigend aan. `Dat was een ongeluk!' `En deze Dardalus,' zei Malomalus luid, en Mortamo, die net zijn mond open had gedaan om Melchior de wind van voren te geven, sloot zijn mond. `Is hij in staat Chronolos te verslaan?' `Nu hij zijn magische zwaard niet langer heeft, zal hij zonder twijfel winnen!' riep Melchior trots. `Wie, Chronolos of Dardalus?' vroeg Mortamo `Ik heb hem zelf getraind!' zei Melchior en hij overstemde Mortamo. `Haal hem,' zei Malomalus en hij leunde achterover met zijn stoel. Melchior sprong op en holde de kamer uit. Even later kwam hij buiten adem weer terug, gevolgd door een man wier gezicht vol met littekens bedekt was. `Heer?' zei Dardalus en hij boog even. `Jij gaat dit zwaard verbergen en bewaken,' viel Malomalus met de deur in huis. Hij was opgestaan en naar Eluzion gelopen. Dardalus trok een wenkbrauw op toen de Duistere Heer met zijn hand op het zwaard gebaarde, dat op tafel lag. `Herken je het?' vroeg Malomalus die bestuderend in de ogen van Dardalus keek. `Dit is...' `Eluzion, ja,' zei Malomalus. `Bewaken, zei u?' vroeg Dardalus en hij pakte het zwaard vast om het beter te bestuderen. Een moment later slaakte hij een pijnlijke kreet en Eluzion viel uit zijn hand en viel kletterend op de grond. Geschokt en verbaasd staarde hij naar zijn hand, waar direct grote blaren op verschenen. `Ah, ja, Eluzion laat zich niet hanteren door anderen. Had ik dat niet gemeld?' Malomalus zorgde ervoor dat de binnenkant van zijn rechterhand niet zichtbaar was en plofte weer neer op zijn troon. `Afijn, jij krijgt de taak dit zwaard te beschermen.' `Beschermen? Waartegen?' `Chronolos,' antwoordde Malomalus kortaf. `Chrono- u maakt een grapje?' `Nee. Denk je werkelijk dat hij het ermee eens was dat ik zijn zwaard meenam? Neem het mee naar de Toren van Wanhoop. Chronolos zal vanzelf wel verschijnen.' `Vergeeft u mij heer,' stamelde Dardalus, `maar u wilt dat hij het komt halen?' `Ja, uiteraard.' `Heer?' bracht Dardalus vragend uit. `Uiteraard is het de bedoeling dat jij zorgt dat Chronolos Eluzion niet krijgt, maar hem verslaat.' `Moet ik Chronolos doden?' `Nee, nee. Het zou je waarschijnlijk toch niet lukken. Alleen ik zou een kans maken. Nee, je verslaat hem en neemt hem gevangen. Ik laat iemand hem wel ophalen. En nu, Mortamo, ik heb ook een klusje voor jou!' Mortamo, de man gekleed in het zwart, keek onverschillig op. `Jij gaat Chronolos vertellen waar die zijn zwaard kan vinden, zodat Dardalus hem hopelijk in kan maken.' Malomalus keek even naar Dardalus, die aan de grond genageld stond. Mortamo snoof. `En ik weet uiteraard precies waar hij zich bevind,' zei hij sarcastisch. `Mooi, dan hoef ik je dat in ieder geval niet te vertellen,' zei Malomalus. `Eh- vertelt u het toch maar, heer. Zijn berekeningen zijn vast fout, in vergelijking met de uwe,' zei Melchior vlug. Mortamo wierp hem een dodelijke en tegelijkertijd dankbare blik toe. `Chronolos weet wie ik ben,' zei de Duistere Heerser. `Hij weet ook waar ik me bevind. Dat kon ik voelen toen hij me in de ogen keek. Gezien zijn loopsnelheid en zijn vastberadenheid om de koning te bevrijden, schat ik dat hij ergens in het Woud der Mysteriën is. Vind hem, en vertel hem dat hij Eluzion kan vinden in de Toren der Wanhoop.' Mortamo wende zijn blik weer af. `En dat concludeert deze vergadering,' zei Malomalus. `Terug aan het werk!' Nog voordat de andere aanwezigen ook maar overeind waren gekomen, was Malomalus al uit het vertrek verdwenen. Zuchtend stond Mortamo op en hij beende de kamer uit. `Succes!' zei Melchior toen hij hem passeerde en een kamer rechts in verdween. Mortamo gromde wat en liep de gang uit. Hij kwam op de binnenplaats, die hij overstak. Hij kwam bij de poort aan. Een tweetal bewakers opende vlug de poort voor hem. `Jij daar!' zei Mortamo kil en hij wees met zijn skeletachtige vinger op een van de bewakers. `Zadel een paard!' `Jawel, direct,' zei de soldaat en hij verdween uit het zicht. Mortamo liep het paleis van Malomalus uit en bleef buiten staan. Hij haalde zijn scepter tevoorschijn. Op het bovenste uiteinde van de scepter was de schedel van een wolfachtig wezen geplaatst. `Uw paard, heer,' zei de soldaat en hij overhandigde de teugels van een groot, zwart paard aan Mortamo. De Duistere magiër haalde een wortel uit de zak van zijn donkere gewaad en strooide daar enkele zwarte korrels over, die hij uit een klein potje haalde. De wortel gaf hij aan het paard, die er eerst nieuwsgierig aan rook voordat hij eraan begon te knabbelen. Opeens viel het paard dood op de grond. De soldaat sprong geschrokken achteruit. Mortamo hief zijn scepter op en begon vreemde woorden uit te spreken. De oogkassen van de schedel begonnen rood te gloeien en de lucht boven het paleis werd direct grijs en bewolkt. Het lichaam van het paard begon een groene gloed uit te stralen en steeg een stukje de lucht in. De oogleden sprongen open en met bloedrode, lichtgevende ogen staarde het paard het niets in. Gillend deinsde de soldaat achteruit, en viel uiteindelijk met een plons in de gracht. Het paard daalde weer en kwam met een plof op zijn hoeven terecht. `Veel beter,' mompelde Mortamo en hij klopte het dier op zijn rug. Mortamo klom op zijn rug en het paard stootte een sinister en rochelend gekrijs uit, steigerde en maakte zich in een hoge snelheid uit de voeten.
Chronolos en Servinos drongen steeds dieper en dieper door in het Woud der Mysteriën. Zwijgend liepen ze nog steeds over het bospad. Tot de opluchting van Servinos waren ze nog geen enkel wezen tegengekomen, op de zwerm vogels na. `Hoe ver moeten we nog?' klaagde Servinos na een tijdje. `Niet ver meer!' zei Chronolos bemoedigend. Ze stapten een kleine open plek op. `Halt!' siste een kille stem. Chronolos en Servinos bleven staan. Chronolos keek om zich heen, maar er was niemand te bekennen. `Wie waagt zich in het territorium van Slarisss?' siste de stem weer. `Wie spreekt daar?' riep Chronolos en hij keek rond. Nog steeds zagen ze niemand. `Wie zich op mijn gebied bevindt, moet betalen, mensss! Wie zijn jullie?' siste Slaris luid. `Ik ben Chronolos de Oppermachtige Half-Goddelijke Held van Hertinium en Groots Overwinnaar van het Kwaad!' riep Chronolos trots. `En dit,' hij wees op Servinos, `is mijn trouwe metgezel en trawant Servinos!' `Die namen zeggen mij niksss. Betalen!' `Luister eens, beste Slarin-' `Slarisss!' riep Slaris woedend en hij siste kwaad. `Ja, die ja. Toon jezelf!' `Jij bevindt je niet in een positie om eisen te stellen, mensss!' was het antwoord van Slaris. `Betaal de tol voor je verder reissst!' `Ik handel niet met wezens die zichzelf niet tonen, Slarin!' zei Chronolos en hij maakte aanstalten om verder te lopen. `Het is Slarisss! SLARISSS!' siste Slaris woedend. `En blijf staan waar je bent, mensss! Eerssst betalen!' `En aan wat voor soort betaling zat je te denken, Slarin?' vroeg Chronolos, wier ogen de open plek afspeurden, op zoek naar Slaris. `Dwaasss! Ik ben Slarisss! Waag het niet mij nog een maal te beledigen, mensss! De betaling is een offer van een levend wezen! Ik heb zojuissst gegeten, dus de kleine mensss volstaat!' Servinos keek geschrokken op. Met kleine mens werd hij bedoeld. Hij deinsde achteruit en verschool zich achter de brede rug van Chronolos. `Toon jezelf, Slarin, en ik zal je de beste Servinos geven!' `Wat?!' piepte Servinos. `Waar heb je het over?!' `Maak je geen zorgen,' fluisterde Chronolos terug. `Toon jezelf!' `Raaargh! Het is Slarin! Ik bedoel- Slarisss! Raaaargh! Ik zou jullie eigenlijk allebei moeten verscheuren! En ik zal mijzelf niet aan je tonen! Ik ben een reuzenadder, en mijn blik alleen al is voldoende om jullie ter plekke dood te laten neervallen!' `Ik geloof geen woord van wat je net zei, als ik zo brutaal mag zijn dat te melden.' `Dwaasss! Hoe durf je-' `Je bent best dom, Slarin!' riep Chronolos harder dan Slaris, die stil viel. `Wat bezielt jou? Wil jij graag sssterven, dwaasss?' `Nee. Als je blik alleen al voldoende was om ons dood neer te laten vallen, was dat allang gebeurd. Ik ga er van uit dat je ons al de hele tijd aankijkt. Kan je dan verklaren waarom we nog leven?' `Ik- wat- dwaasss! Laat de kleine achter en verdwijn uit mijn-' Geheel onverwacht sprong Chronolos brullend de bosjes in. Er klonk verschrikt gesis, een `Aha!', gevolgd door een `Pak aan!' en ten slotte een `Auw!' Het bleef even stil. Momenten later kwam Chronolos triomfantelijk de bosjes uitstappen, met een kleine adder in zijn hand. `Laat mij gaan, mensss!' siste Slaris dreigend en hij hapte met zijn scherpe tanden naar de vingers van Chronolos, waar al enkele tandafdrukken zichtbaar waren. `Servinos, ontmoet de schrik van het Woud der Mysteriën, Slarin. Slarin, Servinos.' Slaris schoot los uit de ijzeren greep van Chronolos en schoot met zijn bek open op het gezicht van Chronolos af. Die gaf hem flinke tik en Slaris bungelde verdwaasd naar beneden. `Ik heb het eigenlijk wel gehad met deze tiran,' zei Chronolos glimlachend en hij wierp Slaris achteloos weg. De slang kwam met een dreun tegen een dikke boomstam aan en viel versuft op de grond. Vlug kronkelde hij weg terwijl hij woedende verwensingen siste. `Zo,' zei Chronolos. `Even dacht ik dat je me echt wou offeren,' zei Servinos, die met een zakdoek zijn voorhoofd afveegde. `Ben je mal? Tuurlijk niet. Moet ik zeker de hele reis naar Duisterland alleen gaan maken? Kom, laten we gaan, het is nog erg ver.'
De koning van Hertinium kwam langzaam weer bij bewustzijn. Kreunend deed hij zijn ogen open en keek rond. Hij hing hoog in een klein, donker kamertje. De koning keek omhoog, naar zijn armen die vreselijk zeer deden. Hij was vastgeketend aan grote kettingen die in het plafond bevestigd waren. Er klonk gemorrel bij de deur, en deze werd even later open gezwaaid. Een gemaskerde gestalte kwam binnen en zette een emmer op de vloer neer, waarin een vieze gelige drab dreef. `Voedertijd,' zei de scherpe vrouwenstem vanonder het masker. Ze haalde een zeer grote lepel op een overdreven grote steel van de gang vandaan en begon in de emmer te roeren. Ze vulde de lepel en bracht deze naar de mond van de koning, die zijn lippen stijf op elkaar hield. `Alles opeten!' riep de vrouw met een irritante, kinderlijke stem. `Dit is voorlopig alles wat je krijgt, dus ik zou het maar doorslikken als ik jou was!' De vrouw duwde de lepel met de gele drap ruw de mond van de koning in, die kokhalsde en de inhoud uitspuwde. `W-wat is dit voor smurrie?' bracht hij met moeite uit. `Het is beter voor je als ik je dat niet vertel,' zei de vrouw lachend. `Als je het weet, verhonger je zeker! En hier komt de volgende hap!' Opnieuw propte de vrouw de lepel in de mond van de koning. De vrouw verdween kermend van plezier weer de cel uit en gooide de deur met een klap achter haar dicht. Het grootste gedeelte van het gele spul was op de grond gevallen, maar een kleine hoeveelheid had zijn maag weten te bereiken. Zijn maag was direct op hol geslagen en het voelde alsof het orgaan meerdere salto's aan het maken was. Misselijk sloot de koning zijn ogen, in de hoop dat het snel voorbij zou zijn.
Chronolos en Servinos slopen nog steeds tussen de bomen van het Woud der Mysteriën door. Ze werden niet meer gevolgd, wat Servinos een goed teken vond. `Alle slechte en gevaarlijke wezens weten vast dat ik in het bos ben,' had Chronolos gegrapt. Plotseling werd het tweetal ruw tegen de grond gedrukt. Twee grote, harige wezens hadden zich uit de boomtoppen geworpen. `We hebben ze!' gromde het wezen die op Servinos zat. Ze trokken Chronolos en Servinos overeind en er verschenen nog twee harige wezens. `Wat zijn dat?' fluisterde Servinos. `Weerwolven,' fluisterde Chronolos terug. De grootste wolf van het stelletje kwam op zijn achterpoten aanlopen en torende hoog boven Chronolos en Servinos uit. `Zo,' gromde hij vervaarlijk. `Jullie bevinden jullie zonder toestemming in weerwolfgebied! Jullie-' `Toch niet weer territoriale wezens, hè?' riep Chronolos luid en hij sloeg zijn ogen ten hemel. `Hoe durf je koning Arghan zo brutaal te onderbreken, waardeloos schepsel!' bulderde de grijsharige weerwolf naast Arghan woedend. Hij had zijn poot omhoog gestoken, klaar om toe te slaan met zijn vlijmscherpe nagels, maar Arghan gebaarde dat hij zijn poot moest laten zakken. `Nee, Thraul. We doden ze nog niet.' Alsof hij niet onderbroken werd, sprak Arghan verder. `Jullie bevinden je op weerwolfgebied, en vast zonder toestemming!' `Ik heb wel degelijk toestemming!' zei Chronolos. `Werkelijk?' vroeg Arghan. `Ik kan me niet bedenken dat ik de afgelopen tien jaar iemand nog toestemming heb gegeven om zich door ons gebied te begeven!' Servinos kreunde zacht. `Wie ben jij, mens?' gromde Arghan in het oor van Chronolos. `Ik? Ik ben Chronolos de Oppermachtige Half-Goddelijke Held van Hertinium en Groots Overwinnaar van het Kwaad!' De wolven keken elkaar even verschrikt aan. Thraul herstelde zich als eerste. `Dè Chronolos die Argunal heeft afgeslacht?' vroeg hij. `Zeker,' zei Chronolos trots. `Ja, ik wou in de eerste instantie wel alle namen van de duistere wezens die ik een koppie kleiner heb gemaakt in mijn titel noemen, maar dat werd op een gegeven moment zo lang, weet je. Hoezo, was hij een vriend van jullie?' `Argunal was mijn vader!' donderde Arghan en hij hief zijn klauwen op, klaar om toe te slaan. `Ah,' zei Chronolos, en Servinos kreunde opnieuw. `Moest je dat nou weer zeggen?' Chronolos negeerde hem. `Hoor eens, Arghan, beste kerel, eh... wolfman, wij zijn slechts op doorreis, en we zouden het waarderen als je ons onze reis zou laten voortzetten.' `Jij... jij gaat nergens heen! Ik vermoord je!' `Ah, nou in dat geval wil je vast een eerlijke strijd, je weet wel, om eerlijk wraak te nemen.' `Wat bedoel je? Verklaar je nader!' huilde de weerwolf. `Nou... je zou me nu ter plekke mijn keel door kunnen snijden-' de andere drie wolven gromden instemmend `- maar je zou het ook interessant kunnen maken en mij in een eerlijke strijd afslachten.' `Hmm,' mompelde Arghan bedenkelijk en hij streek over zijn behaarde kin. `Gelijk heb je. Een gevecht kan je krijgen!' Arghan sprong naar achteren en hield zijn vlijmscherpe en gele nagels paraat. De andere wolven deinsden vlug achteruit, om niet in het gevecht betrokken te raken. `Servinos, kun je mij Oude Martha aangeven?' `Ja, ja tuurlijk,' stamelde Servinos ademloos en hij viste een oud en roestig zwaard uit de knapzak die hij op zijn rug had. Hij gaf het zwaard aan Chronolos, bond de knapzak weer dicht en ging bij de andere wolven zitten. `Wat wil jij aanrichten met dat ding?' vroeg Arghan spottend. `Wou je soms mijn nagels veilen?' Chronolos zweeg. `Goed, mens!' gromde Arghan luid. `Moge de beste wolf winnen, en moge de slechtste mens-' Er klonk het geluid van een zwaard dat op hoge snelheid door de lucht werd gegooid, en voor Arghan zijn zin kon afmaken, viel hij op de grond, met Oude Martha diep in zijn schedel. `Nou, dat was makkelijker dan verwacht,' zei Chronolos en hij liep naar het lijk van Arghan toe. Hij probeerde Oude Martha los te wrikken uit de schedel van de weerwolf, maar het zwaard bleef zitten. `Servinos, vul alsjeblieft Arghan de Weerwolf toe aan het lijstje,' zei Chronolos, en Servinos haalde een rol perkament uit zijn knapzak en voegde een nieuwe naam toe aan de lange lijst met gedode wezens en andere duisterheden. De andere weerwolven brulden van angst en woede, en wouden zich net op Chronolos werpen, toen een kille stem `Nee!' riep. Verbaasd keken de wolven om. Tussen de bomen was een enorm paard verschenen, dat een groene gloed uitstraalde en rode, lichtgevende ogen had. Op de rug van het paard zat een in het zwart gehulde man, die scepter vasthield. Met een zoevend geluid wierp hij de scepter op de weerwolven. Twee van de wolven kwamen na het uitslaken van hun doodspiep aan hun einde toen de schedel op de scepter hun schedels insloeg, en de derde werd doorboord met de vlijmscherpe punt die aan het andere uiteinde van de scepter was gemaakt. `Bedankt, vreemdeling,' zei Chronolos, en hij wrikte de scepter uit het lichaam van Thraul en gaf dat aan de nieuwkomer, die van zijn paard was afgegleden. `Wat is uw naam?' `Men noemt mij Mortamo,' zei Mortamo en hij pakte de scepter aan. `Wat heeft u hier te zoeken, heer Mortamo?' was de vraag van Chronolos. Mortamo negeerde de vraag van Chronolos. `Ik weet uiteraard wie jij bent. Datgene wat je zoekt, je magische zwaard, bevindt zich op dit moment in de Toren der Wanhoop.' `Wat? Eluzion?' `Ja.' `Hoe weet u dat?' `Ik heb zo mijn bronnen,' besloot Mortamo. `Ik stel voor dat jullie er snel heen gaan. Maak je niet druk om hen,' hij gebaarde op de dode wolven, `die ruim ik wel op.' `Vooruit dan!' zei Chronolos luid en hij liep met grote passen verder het bos in. Servinos holde vlug achter hem aan. `Is die toren ver?' vroeg hij, toen hij weer naast Chronolos liep. `In het zuiden,' mompelde Chronolos. `Vlak over de grens met Duisterland. Een dag of twee lopen.' Servinos zuchtte. `Twee hele dagen lopen...' `Niet klagen,' zei Chronolos glimlachend. `Weet je nog die ene keer dat we naar de Baai van Stelines moesten om die boosaardige Sirenenkoningin een kopje kleiner te maken? Toen waren we wel een week onderweg!' `Dat weet ik nog,' mompelde Servinos. `Ik had nog weken last van blaren!'
|