Berichten: 1136
gebruiker
Verstuur privé bericht
|
Sol omnibus lucet
De zon schijnt voor allen
Donker. Koud. Vastgeketend aan de muur. Bang. Met nietsziende ogen keek ik de duisternis in. Tranen liepen over mijn wangen, spatten uiteen op de kille vloer. Ik had geen besef van tijd en hoewel ik bij binnenkomst mijn verblijfplaats had kunnen zien, leek het nu eerder een droom. Slechts de zware, ijzeren ketting om mijn hals herinnerde me aan waar ik was. “Gevaar voor den samenleving!” “Discipel des duivels!” “Maakt voort, eer zij vervloekt ons allen!” Het waren slechts enkele van de velen beschuldigingen die ik had gehoord tijdens de rit naar de gevangenis waar ik nu verbleef. Maar het was nog niks geweest bij wat ze hadden gedaan tijdens de martelingen. Vuil prikte in de striemen die de vele geselingen hadden achtergelaten. Het deed pijn. Wie zou een kind als ik nu in een gevangenis wegbergen? Wat had ik gedaan? Ik kon het toch ook niet helpen dat... Luid krakend in zijn ijzeren scharnieren werd de zware, houten deur geopend. Twee zwarte schaduwen stonden in de opening. Dreigend kwamen ze op me aflopen en ik dook zo ver weg als de ketting maar toeliet. De deur sloot zich en ik hoorde de voetstappen steeds dichterbij komen. Een ijzingwekkende gil weergalmde door de vele ondergrondse gangen van het gevang.
“Eleanor Jacobine Lucia de Toulouse.” Ik keek op. “Ja, edelachtbare?” “Er werd je niets gevraagd, brutaal mormel!” De kille ogen van de rechter boorden zich in de mijne en zijn woorden echoden door de enorme ruimte. Ik kromp in elkaar en liet mijn blonde haren voor mijn gezicht vallen. Kijkend naar de vastgebonden handen op mijn knieën was ik me er pijnlijk van bewust dat tientallen ogen mij aanstaarden, veroordeelden, verachtten. Rechter Rainier d’Impitoyable wendde zich weer tot het papier in zijn handen. Vanuit de troon waar zich alle rechtsleden bevonden, somde hij alle aanwezigen op. Rainier stond bekend om zijn doortastend vermogen, zijn passie voor de wet en consistente gebrek aan genade. Met hem wilde je niet in aanraking komen, zo werd er onderling gefluisterd. In de gigantische rechtszaal waar hij zijn ambt beoefende, veroordeelde hij vaker dan dat hij vrijsprak en die wetenschap beangstigde me. Inmiddels was hij aangeland bij de aanwezige familieleden en ik kon het niet langer laten tussen mijn ongewassen lokken door te gluren. “Theodorus Edgard Benoit de Toulouse, vader van de beschuldigde.” Mijn vader knikte ferm, keek niet naar mij. “Clementine Mireille Emmanuelle, Matthieu, Ernest, Dorine, Nicodème, Alexandre en Mignonne de Toulouse.” Mijn moeder en broertjes en zusjes, die links van mij in een afgesloten zitgedeelte zaten, keken strak voor zich uit, rakelings langs me heen. Mijn moeder had één hand op de Bijbel en met de andere hield ze mijn op één na oudste broer bij de hand. Slechts een paar dagen terug had ik nog bij hen in huis geleefd, was door hen geliefd en beschermd. Nog enkele dagen terug had ik met mijn broes en zusters gespeeld, met hen gezongen en gedanst. Dorine had me noten leren lezen, mama had mijn haren gevlochten... Ze leken nu allemaal zo ver weg. Matthieu leek in alle opzichten op mijn vader: hij was sterk, pienter en had een ijzeren wil. Hij was duidelijk de oudste en nam de zorg voor zijn jongere broertjes en zusjes zonder tegenspraak op zich. Ernest was erg terughoudend en zoals mama altijd zei ‘vroeg wijs geworden’. Hij zat op een speciale school waar hij dingen studeerde die ons verstand te boven gingen. Dorine en ik hadden van jongs af aan veel tijd met elkaar doorgebracht en hoewel ze vastberaden trachtte me muziek te leren maken, had ik tot dusver geen blijk van enig talent gegeven. Samen met de tweeling zat ze dan geduldig naar mijn spel te luisteren terwijl ik haar af en toe haar ogen dicht zag knijpen bij een valse noot. Nicodème en Alexandre waren onze engeltjes. Zoals ze met hun grote ogen alles zorgvuldig in zich opnamen en vol bewondering naar mijn slechte pianospel luisterden, kon ik niets anders dan van tijd tot tijd vertederd opkijken. Mignonne echter zat dan te draaien op haar stoel en kon met haar nauwelijks vijf jaar onmogelijk langer dan enkele minuten stilzitten. Tranen vulden mijn ogen bij de gedachte hen misschien wel nooit meer te zien. Mijn gedachten werden echter bruut verstoord door de aanzwellende stem die tot mij sprak. “... weigerde te erkennen schuldig te zijn aan duivelse praktijken, godslastering en hekserij, waarop staat-” “L’honorable!” Iedereen keek om, geroezemoes weerklonk uit de vele rijen banken waar zich de getuigen en belangstellenden bevonden. Mijn vader was gaan staan en dwong met zijn fiere houding ontzag en eerbied af. “Edelachtbare, mag ik uw vlot gevelde oordeel eenmaal onderbreken?” Zonder een antwoord af te wachten vervolgde hij: “Acht u het werkelijk noodzakelijk dat ik u allen eraan moet herinneren met wie u te maken heeft? Denkt u werkelijk dat u in de positie verkeerd de dochter van de burggraaf van Toulouse ter dood te veroordelen? Onze naam te bezoedelen en onze eer te schenden?” Mijn vader opende het hek en liep tot voor de boven hem uittorende de rechter. “Bent u werkelijk zo dwaas te denken dat een erelid van de Pairie de France, het koninklijk hof, de rechterhand van onze Zonnekoning...” Hij hief zijn armen op en liet zijn stemgeluid dramatisch door het gewelf galmen. “u dit zomaar toe zou staan? Zich gezwind teneer zou leggen bij uw vonnis?” Hij boog zich voorover en fluisterde iets wat ik niet kon verstaan. Rechter Rainier trok bleek weg en deinsde verschrikt achteruit. “Dus daarover kunnen we het eens zijn.” Met halfopen mond keek de rechter mijn vader na, die statig terugliep naar zijn zitplaats. Ik volgde zijn blik en keek hoe mijn vader naast mijn moeder neerstreek. Een vlaag van warmte vervulde mijn binnenste. Ze keek naar me. Vanuit haar ooghoeken zodat niemand het kon zien, wierp ze me een gekwelde blik toe. Haar grip op Ernests hand verstevigde en hij keek naar haar op, volgde haar blik en zag mij. Samen staarden ze me aan en een steek van verlangen schoot door mijn buik. “Que Dieu ait pitié de ton âme.” Het geluid van een hamer die op een tafel sloeg, schalde door de zaal. Verschrikt draaide ik me om maar voor ik doorhad wat er precies met me gebeurde, werd er een zak over mijn hoofd getrokken en gooide iemand me over zijn schouder. Ik schopte en ik kronkelde, poogde verwoed los te komen, te vluchten, ware het niet dat twee handen zich stevig om mijn mond en neus sloten, me elke vorm van zuurstof ontnamen. Nog even spartelde ik tegen maar al snel zakte ik weg in vredige bewusteloosheid.
Alles was weg. Voor mijn ogen was het zwart en hoewel ik wist dat ik ze zou kunnen openen, voelde ik daar niets voor. In deze duisternis was het veilig. Niets kon me overkomen. Ergens ver weg hoorde ik iemand gillen en langzaamaan voelde ik steeds duidelijker de hardheid van de stenen waarop ik lag. Een ijle, vochtige lucht vulde mijn longen en ik merkte dat ik het koud had. ‘Nee! Nee, ik wil niet terug! Laat me hier blijven!’ smeekte ik in stilte. ‘Alstublieft, Heer!’ Mijn smeekbeden werden niet verhoord. Steeds meer zintuigen verscherpten en trokken me, tegen mijn zin, terug de levende wereld in. Ik opende mijn ogen. Complete duisternis, al was ik er niet zo zeker van of deze net zo veilig was. Ik taste om me heen en voelde de koude, gladde stenen van de grond onder me, een ijzeren ketting waarin mijn voet geketend zat. Schakel voor schakel volgde ik de keten tot ik de roestige plaat voelde waarmee het aan de muur was bevestigd. Vast, alweer. Terwijl ik daar zo zat, vroeg ik me af waar ik me bevond. Zouden ze me weer in de gevangenis hebben gestopt? De herinnering aan de hoorzitting kwam weer bovendrijven. Waarom had ik niet opgelet?! Ik barstte in tranen uit. Ik zou dit niet overleven. Rainier had me zeker ter dood veroordeeld en nu lag ik hier in afwachting van mijn lot. Angst nam mijn verstand over en ik schreide erbarmelijk. Wanhopig rammelde ik aan de ketting, bonkte op de muren, trok aan de boei om mijn enkel en gilde het uit van ellende. Het geluid ervan galmde door de ruimte en toen ik even stilviel om op adem te komen hoorde ik haastige voetstappen op de gang snel naderbij komen. “Maman? Papa?” De deur ging open en met mijn betraande ogen probeerde ik te zien wie er binnenkwam. In de streep licht die naar binnen viel zag ik de gestalte van een vrouw staan met in haar hand een emmer. “Bedaard, gij duivelskind! Uw woeling ontzet de anderen. Zwijg!” “Laat me gaan! Laa-haat me hieruit!” snikte ik met stokkende stem vanonder mijn natgehuilde haar. “Zij die niet horen willen, zullen voelen moeten!” Ik schrok toen een plens koud water over me heen kletterde, mijn kleren doorweekte. Proestend en happend naar adem kroop ik ineen. “En nu wens ik u nimmer te horen!” De deur ging dicht en het geluid van voetstappen stierf langzaam weg. Duisternis omringde me en weer voelde ik de hysterie naar boven komen die mij deze straf had opgeleverd. Rillingen liepen over mijn lichaam en ik begon ongecontroleerd te klappertanden. Wat was het koud! Een huilende wind glipte tussen de kieren van de houten deur door de al ijskoude kerker in en ik trok mijn benen nog verder naar me toe, ter bescherming tegen de snijdende tochtvlagen. ‘Nooit zal ik nog iets anders zien dan deze trieste duisternis; nog voor ze me veroordelen kunnen, ben ik de bevriezingsdood gestorven!’ Ik trok mijn armen over mijn hoofd en wiegde heen en weer. Beelden flitsten voor mijn ogen, herinneringen plaagden mijn geest en de liefkozende stem van mijn moeder klonk melodieus na in mijn hoofd. Het flitsen werd steeds heviger en mijn moeders stem zakte steeds verder weg. ‘Maman! Verlaat me niet!’ De beelden volgden elkaar steeds sneller op tot er een raar soort waas ontstond. Ik werd duizelig en voelde mijn maag zich omdraaien. Mijn hoofd bonkte en mijn lichaam begon te stuiptrekken. Toen nam de waas een vastere vorm aan. Langzaam en vloeiend neigden de kleuren meer naar groen. Verschillende tinten groen. Er was ook bruin en op sommige plekken leek het groen bijna geel. Ik knipperde met mijn ogen en onderdrukte een vlaag van onpasselijkheid. Het beeld stelde scherp en ik kon nu duidelijk de bomen en het gras onderscheiden. De zon scheen vol overgave en weerkaatste in de stromende beek. Kinderen speelden met een tol, gooiden een bal over en namen een duik in het ondiepe water. Van een afstandje keek ik naar het schouwspel tot een handvol kinderen links en rechts langs me heen kwam rennen. “Jij blijft hier en ontfermt je over de kleintjes!” De oudste van het stel had zich gewend tot een meisje met lange blonde haren die kunstig in een strakke knot waren gedraaid. Ze draaide zich om en met een schok realiseerde ik me wie deze mensen waren. “Waarom nu juist ik?” antwoordde een beteuterde Eleanor. Verstijfd over mijn hele lichaam, keek ik toe hoe zij de hand van Mignonne pakte en neerplofte in het gras. ‘Hoe was dit mogelijk?’ Ik werd krankzinnig, geen andere verklaring was denkbaar! Zo onopvallend mogelijk schuifelde ik naar de oever en bekeek mezelf in het water. Een vuil, knokig en toegetakeld meisje staarde me angstvallig aan. Er had geen groter verschil kunnen zijn met de Eleanor een aantal meters verderop: ze was verzorgd, had een lief, rond gezichtje en haar kleren straalden rijkdom en elegantie uit. En toch waren wij eender. De tweeling ging gewillig naast hen zitten en begon vlijtig bloemenkransen te vlechten. Matthieu, Ernest en Dorine renden naar de waterkant en trokken hun schoenen en kousen uit. Vanachter een boom die naast de beek stond keek ik toe hoe mijn broers en zusje hun kleren opstroopten en lachend door het water begonnen te rennen. Strikt verboden natuurlijk, dit zouden onze ouders nooit toelaten! Iedereen wist hoe gevaarlijk het water kon zijn en slechts weinigen wisten hoe te zwemmen, maar zulk ondiep water kon toch geen kwaad? Terwijl ik achter de boom gehurkt zat, hoorde ik plots van zeer dichtbij een jongensstem mijn naam roepen. Verschrikt keek ik om maar hoewel de jongen reeds naast mij stond, keek hij niet naar mij maar naar de Eleanor een eindje verder. Zij keek op en wenkte hem. Met vlugge schreden liep hij langs me heen naar het viertal en situeerde zich naast hen. Het was Bastien. Hoe kon het dat hij mij niet had gezien? Hoe kwam ik hier zomaar? En had ik niet op die ene dag ook met hem... Plotseling begon het me te dagen. Dit was een herinnering. De herinnering aan de dag dat... “Help!” Alle kinderen vielen stil en vele gezichten keken geschrokken op. Ik verstijfde toen ik in het midden van de beek een kind kopje onder zag gaan en blikte gauw richting de vijf in het gras. Alleen waren het er geen vijf meer. “Mignonne!” Eleanor sprong overeind en rende al bijna naar de oever toen ze zich vlug omdraaide. “Waak jij over de tweeling!” Nog voor ze de instemmende knik van Bastien had kunnen zien, rende ze al verder naar de drenkelinge. “Houd vol, ik kom!” Zonder aarzeling dook ze het water in en ik moest achter de boom vandaan komen om het onheil te kunnen blijven zien. Mignonne kwam weer even boven en hapte al spartelend naar adem. Ze schreeuwde en maaide met haar armen, dook onder en kwam weer even boven. Eleanor waadde naar haar toe, net groot genoeg om op de bodem te kunnen staan. “Eleanor, je bent niet bij je hoofd! Keer terug!” “Zeer zinvol, Ernest!” Matthieu ontwaakte uit zijn trance en gaf zijn jongere broer een draai om zijn oren. “Ik los het zelf wel op!” Met zijn lange benen was hij in drie passen bij de waterrand en rende het stromende water in. “Kom maar, Eleanor. Ik haal haar wel!” Eleanor hoorde het niet en ploeterde verder. Ze was er bijna. Het water stroomde tegen haar lichaam en spatte in haar gezicht. Half zwemmend, half wadend bereikte ze eindelijk haar zusje en greep haar vast. In paniek als ze was, greep Mignonne Eleanor waar ze haar maar te pakken kon krijgen en probeerde zichzelf naar boven te werken. Eleanor verdween onder de oppervlakte en Mignonne gilde naar haar naderende broer. “Kalm maar, Mignonne. Matthieu komt je redden!” Vanaf de kant keken de overige kinderen gespannen toe, doodsangsten stonden in hun gelaat gegrift. Het meisje reikte naar zijn uitgestrekte armen en huilde van opluchting. Haar zus kwam weer boven water en probeerde haar in de armen van hun broer te leggen. Hij zette nog een stap maar kon er net niet bij. “Bijna, Elea. Het komt goed Mignonne, het komt allemaal-” Weg. Met reeds uitgestrekte armen keek de jongen naar het punt waar zijn beiden zusjes ten onder waren gegaan. Er was geen spoor van hen te bekennen. De kinderen aan de kant krijsten, vanuit verschillende richtingen kwamen volwassenen aangesneld en Matthieu nam een grote teug lucht en dook onder water. Verscheidene ouders bedekten de ogen van hun kinderen, anderen sloten zelf hun ogen en prevelde smeekbeden. Ernest had Dorines hand vastgepakt en Bastien nam de twee huilende broertjes in zijn armen. Ingespannen keken zij naar de opborrelende luchtbellen. De menigte snakte naar adem toen het hoofd van de oudste broer boven water kwam, zijn gezicht echter liet alle hoop vervliegen. Met lege handen waadde hij terug naar de kant waar hij werd opgevangen door zijn broers en zusje. Verslagen stonden zij daar, het hele veld was stilgevallen. Allen stonden stil bij het verlies dat zij zojuist hadden geleden. “Kijk! Ze zijn afgedreven!” Iedereen keek verbaasd op toen Ernest vliegensvlug de beek langs rende. De mensen spoedden zich achter hem aan en schreeuwden naar de wegspoelende kinderen. Ze verdwenen uit het zicht waardoor ook ik genoodzaakt was achter mijn broer aan te rennen. Zo snel als mijn tere beentjes maar hollen wilde, volgde ik de mensen heuvelafwaarts. Takken zwiepten in mijn gezicht, ik trapte in dennenappels en struikelde een keer over een uitstekende boomwortel. Hoewel ik wist wat er zou gebeuren kon ik niet stoppen met rennen. Vanuit de verte kon ik mijn broer horen roepen dat ze richting de rivier dreven. Ik rende nog sneller, wilde het essentiële moment niet missen. Wat hadden de mensen dan gezien? Hijgend kwam ik aan bij de rivier waarin het beekje uitmondde en ik snakte naar adem. Daar in het midden van het water spartelden de twee zusjes. Steeds iets langer bleven ze onder water, steeds iets lomer maaiden hun armen in het water. Ze verdronken. Met ingehouden adem keek ik toe hoe ik door het water werd verzwolgen, niet meer bovenkwam. Het was over, we waren weg. Ik keek om me heen en zag het laatste beetje hoop wegebben uit de gelaatsuitdrukkingen van de omstanders. Het water stroomde en spetterde, kolkte en golfde; er was geen enkel teken van leven te zien. De seconden tikten voorbij. Minuten. Josephine, onze dienstmeid, liep op mijn broers en zus af en gebiedde hen met haar mee te gaan. “Volgt u mij alstublieft, we moeten uwen moeder verwittigen.” De vijf familieleden hadden net enkele stappen gezet toen achter hen een luid gehoest te horen was. Proestend, kuchend en rillend strompelde Eleanor door het riet naar de oever, een blauwpaars meisje met zich meedragend. “Mignonne!” Matthieu rukte het kind met geweld uit haar armen en legde haar in het gras. “Mignonne! Ik smeek je, wees niet dood! Lieve Heer, waarom nu net zij? O wee!” Ernest streek naast zijn zusje neer en voelde haar pols. Na enige seconden te hebben gewacht, legde hij haar handen op haar borst en sloot haar ogen. De tweeling barste in huilen uit en Dorine nam hen in haar armen. Josephine keek verschrikt zijwaarts toen Eleanor aan haar zijde verscheen. “Kom, kind. Ik zal je warmen.” Vlug sloeg ze haar omslagdoek om het lijkbleke meisje heen en wreef haar armen. Eleanor wilde er echter weinig van weten. Ze sloeg de doek af en viel op haar knieën naast Mignonne neer. “Nee, nee! Mignonne!” Dat laatste woord schreeuwde ze en de kreet van wanhoop galmde over het water, door de boomtoppen en over de heide. Tranen van woede biggelden over haar wangen en ze legde haar ontdane hoofdje op de plek van haar zusjes middenrif. Schouders schokten, jammerkreten klonken op. Alle aanwezigen schaarden zich om hen heen, voelden mee met het immense leed van het meisje. Vanuit het midden van de menigte klonk opeens een ontsteld gekrijs. “Ze leeft! Ze leeft!” Nieuwsgierig dromden de mensen bijeen, verhinderden mij het zicht. “Onmogelijk!” “Een Godswonder!” “Een geschenk uit den Hemel!” “Neen, dwazen!” Het was Josephine. Ze verhief haar stem zodat allen het horen konden. “Het is hekserij! Zij is een heks!” Er werd naar adem gesnakt, gegild en gehuiverd. Huilende dreumesen werden omver gelopen door de velen grote kinderen en volwassenen die in paniek trachtten weg te vluchten. Er werd geduwd, getrokken, gekrabd en gegrepen. Hoewel ik wist dat ze me niet konden raken, dook ik ineen en wachtte tot het tumult was afgezwakt. Voorzichtig keek ik over mijn knieën en zag hoe Josephine een beschuldigende vinger op Eleanor gericht hield en mijn twee oudste broers hun zusje bij beide armen vasthielden. Dorine hield Mignonne in haar armen. Nauwelijks zichtbaar ging haar borstkas op en neer; nauwelijks zichtbaar, haar ademhaling was echter een feit. “Gij, met uw harteloos complot met den Duivel, verleidt ons te denken dat u uw zuster het leven heeft gered. Ik zeg u allen: zij is een bedriegster! Enkel een heks kan een kind in een beek laten verdrinken, enkel een heks kan haar vervolgens weer tot leven wekken! Zij is de incarnering des Duivels!” Onmiddellijk ontstond er een enorm tumult. Stemmen werden verheven, vuisten priemden in de lucht. Als wapens dienend, werden takken en stenen van het veld geraapt. “Prepareer den brandstapel!” “Haalt uw ketens!” “Neemt haar gevangen! Ordebewaarder!” Met verheven knuppel kwam de garde champêtre vanuit het bos aangerend. Zonder enige waarschuwing gaf hij Eleanor een fikse dreun op haar hoofd en ze zakte in elkaar. Duisternis daalde als een sluier neer over het tafereel.
“Lucia?” ‘Auw...’ “Lucia!” “Ja?” “‘Ja, Zuster’, zult gij bedoelen?” Ik knipperde met mijn ogen en het kostte wat tijd voor ik me besefte waar ik was. Er brandde licht en een nors uitziende non stond over mij heen gebogen. “Hoe heeft gij los kunnen komen?” Mijn hoofd bonkte en kon me niet voorstellen waarover zij sprak. “Ik zal het nogmaals herhalen: hoe heeft gij los weten te komen? Hoe is het mogelijk dat uw boei u niet langer aan de muur vastketent?” Ik trachtte hier serieus over na te denken maar mijn gedachten vormden zich op onlogischer wijzen. “Keten... weet niet... Mignonne... wat?” “Totaal waanzichtig...” mompelde ze tegen een persoon die buiten mijn zicht stond. “Nou? Hoe spreekt gij mij aan?” Ik trachtte mijn zicht te verscherpen op de zuster die zich zojuist weer naar mij toe had gedraaid. Het beeld deinsde en ik voelde me onpasselijk worden. “Ja, Zuster.” De zuster keek me bedenkelijk aan. “Op het eersten oog, zou ik zeggen: hysterie, gekenmerkt door epileptiforme aanvallen, afasie, delirium en idee-fixe omtrent megalomanie. Toch zal verdere observatie benodigd zijn.” Onbegrijpend keek ik omhoog terwijl het draaien volhield. Waarover spraken zij? Zusters? Hysterie? Hoe was ik hier beland en wat had ik hier te zoeken? De ander leek het echter uitstekend te begrijpen. “Vanzelfsprekend. Dit duidt allicht op een sanguinisch temperament. De rillingen, flauwtes, neiging tot braken, nachtmerries, hartkloppingen en haar snel wisselende pols zijn slechts bevestigingen van eerdere veronderstellingen. U kunt haar overbrengen naar het behandelvertrek, Zuster. De prognose is reeds helder.” Twee handen schoven zich onder mij en tilden mij van de vloer. Mijn hoofd tolde zo wild dat ik niet meer helemaal bij bewustzijn was. Onderscheid tussen boven en onder was volkomen vervaagd. Ik voelde echter een vlaagje wind door mijn haar strijken en traag als mijn geest was, wist ik nog net te beredeneren dat ik verplaatst werd. Ik was zo uitgeput, zo uitgeput maar moest wakker blijven! Moet, wakker, blijven...
Licht. Licht was het eerste wat ik zag. Ik knipperde met mijn ogen en keek nog een keer. Ik bevond me in een kleine, witgeschilderde ruimte met een hoog plafond en spitsboogvormige glas-in-loodramen. Er stonden meerdere bedden in de kamer, sober opgemaakt met slechts matras en laken. Schalen, stoffen strengen en een tal van lugubere instrumenten lagen in de kast naast de zware, houten deur. Naast me stond een klein tafeltje waarop een katoenen doek, stenen kan en een klein, fonkelend mesje lag. Ik realiseerde me dat ook ik op een bed lag en keek neer op mijn lichaam. Meteen drong tot me door waarvoor die instrumenten bedoeld waren. Bloed stroomde uit de ader in mijn elleboogholte en ik voelde me licht in mijn hoofd worden. ‘Weg!’ was de enige gedachte die me nog te binnen kon schieten. Met een ruk kwam ik overeind; althans, zo probeerde ik. Stoffen strengen waren zorgvuldig om mijn armen, benen, buik en borst gebonden en hielde mijn lichaam stevig op zijn plaats. Hoeveel ik ook wrong en kronkelde, trapte en draaide, verschil maakte het niet. Hijgend van inspanning legde ik mijn hoofd weer op het bed teneer. Het had geen zin. Daar zo liggend, begon ik te reconstrueren hoe ik op deze plek had kunnen geraken. Beetje bij beetje sijpelde de herinnering aan de twee zusters binnen, hun gesprek en hoe ze mij hadden verplaatst. Ze praatten toen over een behandelvertrek, daar moest ik dan nu gelegen zijn. Ik dwong mezelf nog verder terug te denken en herinnerde me de rivier, de zusjes, de beschuldiging. Het was de herinnering aan de laatste dag die ik met mijn familie door had kunnen brengen, de dag waarop alles veranderd was om misschien wel nimmer te worden zoals het eens was geweest. Na de klap op mijn hoofd had de garde champêtre me in de gevangenis ondergebracht, in afwachting van mijn vonnis. Er was zoveel gebeurd in zo weinig tijd, dat ik me geen schatting kon maken hoe lang dat geleden was. Tijd en ruimte leken te vervagen in kerkers, herinneringen en erbarmelijke omstandigheden. Ik dacht na over de aantijging. Ik wist niet waar ik me bevond, maar wel waardoor ik hier was beland. Ze vreesden dat ik een heks was, een kwade geest die complotten smeedde met de duivel en onschuldige stervelingen vervloekte. Hoewel ik het eerst niet had kunnen begrijpen, had ik het nu vanuit een ander perspectief kunnen aanschouwen en kon me inleven in hun conclusie. Hoe anders had Mignonne bijna kunnen verdrinken? De beek was ondiep en stroming stond er nauwelijks. Hoe anders had dit kunnen gebeuren dan wanneer haar zus kwade intenties had gehad en expres niet had opgelet? Voor buitenstaanders leek het net alsof ik mij van verdenkingen wilde ontdoen door me voor mijn zusje op te offeren; haar leven te redden. Maar waarom klopte mijn hart dan nog in mijn ribbenkast? In golven voelde ik het bloed uit mijn ader stromen en ik zakte weg in een staat van versuffing, toen er iets op mijn elleboogholte drukte. Loom draaide ik mijn hoofd en zag een reeds bekend gezicht. “Ge zijt ten slotte ontwaakt. Uitstekend.” Ik fronste mijn wenkbrauwen bij het horen van deze informatie. “Ben ik lang buiten bewustzijn geweest, Zuster?” Ze drukte de lap stof nog wat steviger op de wond en bond hem stevig af. De kloppende pijn deed mij heropleven. “Zeker zo’n half uur, daar ik meen. Dezen wijze dient ge uw arm te laten rusten, tot ik u anders gebied.” Ze boog mijn arm dubbel en verving de bebloede lappen onder mijn arm voor schone. Vermoedelijk zou ze me zo weer verlaten. Ik was echter nog niet met haar klaar. “Zuster?” vroeg ik exact op het moment dat zij de geopende deuren door wilde lopen. Twee vragende ogen keken mij aan. “Lucia.” Dit bracht me in verwarring. “Eleanor is mijn naam, uwe vrouwe.” “U noemt Lucia naar de Duivel die u tot zonde verleid heeft.” IJzige stilte hing tussen ons in, verduidelijkte onze verhouding tot elkander. Toch wilde ik eerst antwoorden hebben. Ik wilde antwoorden en zij zou ze me overhandigen. “Ik wilde u vragen waar ik mij precies bevind, Zuster?” Nog altijd in de deuropening stond de zij daar, keek mij doordringend aan en leek te overwegen hoeveel van de waarheid voor mijn oren bestemd was. Ze sloot de deur, liep kalm op mij af en streek neer op de rand van mijn bed. Voor het eerst zag ik een medelijdende blik in haar vooralsnog zo strenge ogen. Ze klaarde haar keel en legde haar hand op mijn hoofd. “Lief kind, wat u nu te horen krijgt is strikt geheim en u dient uw belofte te geven dat u nooit of te nimmer zult loslaten van wie u dezen informatie hebt gekregen. Menig zuster in dit oord meent dat het het herstel van de patiënt niet bevordert te weten wat hem precies mankeert. Geef me uw woord.” “Ik beloof-” “Ik zwéér...” verbeterde ze me. “Ik zweer nooit of te nimmer een levende ziel te vertellen wat u me toevertrouwd.” Mijn hart klopte in mijn keel, mijn mond werd droog. Zou ik nu eindelijk te weten komen waar ik was? Wat mij door de rechter is opgelegd en of ik me spoedig met mijn familie zou herenigen? Schijnbaar nam zij mijn verklaring als voldoende aan. “U moet weten dat u ontoerekeningsvatbaar bent verklaard door de oordelend rechter en daarvoor bent overgeplaatst naar Hôpital de la Salpêtrière, te Parijs.” Ik kon mijn verbazing niet onderdrukken. “Parijs?” “Ik ben er niet van gediend onderbroken te worden.” Wederom keken haar ogen kil en ik trachtte mijn gevoelens weer in toom te krijgen. ‘Je ouders zul je heus wel weerzien . Laat deze kans nu niet schieten en houd jezelf in bedwang!’ “Excusez-moi, Madame.” “Zo mag ik het horen. U verblijft dus hier, waar wij trachtten u te genezen van uwen krankzinnigheid, uwen waanzin. Door voor ons onbekende motieven bent u van het Goddelijk spoor afgedwaald en heeft Hij u dezen straf opgelegd. U bent gedoemd te leven naar het lot van de geesteszieke en tot u uwen zonde hebt ingeboet, zult u verblijven te La Salpêtrière. Desnoods tot des einde uwen dagen.” Dit moest even bezinken. Rainier had me dus niet veroordeeld maar krankzinnig verklaard. Waren dan al die onverklaarbare gebeurtenissen een hallucinatie van mijn zieke geest? Was het hart van Mignonne echt opgehouden met kloppen of had ik me dat ingebeeld? Had ik werkelijk haar leven gered of was het een vervorming van de waarheid, een waan van mijn eigen grootsheid? Welk normaal persoon onderging nu zulke heftige herbelevingen, schokte daarbij over haar hele lichaam en wist zich in zulke houdingen te wringen dat haar handen nog de allerstrakste boeien wisten te ontglippen? Ik moest wel gek zijn, het kon niet anders. Dit vaststaand feit daalde op mij neer en daarbij een verlammende neerslachtigheid. Ik was krankzinnig, gedoemd hier misschien wel voor eeuwig te blijven. Nooit weer zou ik mijn ouders zien. Zelfs als zij van het ziekenhuis toestemming zouden krijgen hier binnen te treden, zouden zij dit nooit aanvaarden. Omwille van de familie-eer moesten zij mij vast hebben verstoten. Ik was alleen. Hoewel tranen mijn ogen vulden, stond ik mezelf niet toe werkelijk te wenen. Het was immers mijn eigen schuld. Ik, en ik alleen, had een zonde begaan waarvoor ik dusdanig gestraft diende te worden. Ik mocht blij zijn nog in leven te zijn! Mij was de kans gegeven boete te doen voor datgene wat ik had foutgedaan, om alsnog mijn geweten te zuiveren. Toch was niet alles even eenvoudig te plaatsen. “Zuster, kunt u mij vertellen welke zonde ik precies heb begaan?” Met priemende ogen staarde ze mij aan, leek mijn geest te doorgronden. Toen stond ze op. “Naar uw toestand lijkt het me onverstandig u te voorzien in dezen informatie.” Ze keerde me de rug toe en schreed naar de houten deuren. “Wacht!” Wanhopig trachtte ik overeind te komen. “Verlaat me niet!” “Lucia, het is den hoogsten tijd dat u rust. U verkeert in goeden handen en dient zich behandelbaar op te stellen. U wordt in alles voorzien wat u nodig heeft, wanneer wij menen dat het voor u het juiste is. Ik laat u nog een uur herstellen en keer dan terug om u naar het slaapvertrek te brengen. Tot dan dient u uw hoofd te ruste te leggen. Voor uw eigen bestwil.” Ze verliet het vertrek en met een luide klap vielen de deuren dicht. Met tegenzin liet ik mijn hoofd op het bed neerdalen en ontspande me. Ik zou af moeten wachten tot een nieuwe gelegenheid zich voordeed.
Gedurende de overplaatsing naar de slaapzaal had de zuster echter niets willen loslaten en ook de dagen erna verliepen zonder nieuwe kennisgeving. Als van elke levenszin ontnomen, tuurden de andere krankzinnigen voor zich uit, mompelden, humden, huilden en wiegden zichzelf ter geruststelling. Voornamelijk de eerste dagen had dit veel indruk op mij gemaakt, nu echter was het me gewoon. Dag in, dag uit, hoorde men patiënten in zichzelf praten, hysterisch gillen en spreken alsof zij door God waren uitverkoren. Te midden deze mensen had ik me meermalen afgevraagd of ik hier werkelijk thuishoorde, waarna ik me wederom alle merkwaardige voorvallen herinnerde die de afgelopen jaren waren geschied. De velen ziekten die ik had opgelopen terwijl hun dodelijke afloop mij bespaard was gebleven, de voorspellende dromen die mijn kindertijd getekend hadden, de impressie anders te zijn dan anderen... Had al die tijd mijn geest geprobeerd mijn verstand om de tuin te leiden, spelletjes gespeeld met mijn belevingen, ze anders doen interpreteren? Het leek zo onaannemelijk, zo uit de lucht gegrepen. En welke zonde had ik begaan dat deze straf mij werd opgelegd? Met mijn nauwelijks elf jaar kon ik toch moeilijk al iets zodanig kwalijk hebben begaan? Ik was immers maar een kind. Een andere verklaring kon ik echter niet verzinnen. Er restte mij niets anders, te vertrouwen op de expertise van het verplegend personeel. Me was uitgelegd dat, zolang ik mij door de rede liet leiden en me niet tegen hun handelen verzette, ik nimmer in de kerker zou worden opgesloten. Daarvoor werd ik nu verpleegd met warmtebaden, aderlatingen en bedrust. In een grote zaal met plaats voor zeker vijftig patiënten, stonden rijen aan bedden; bedden met hoge randen en ijzeren spijlen. Alles was wit. Witte lakens, witte muren, witte klederdracht door zowel patiënt als zuster. Alles was eender: elke kan, elke tafel, elke dag. Rust, reinheid, regelmaat, was het devies. Elke ochtend om zeven uur werd je gewekt en klaargemaakt voor het ochtendgebed, gevolgd door het ontbijt. Aaneensluitend werd je op bed gelegd in afwachting van het bad, waarna je weer te rusten werd gelegd voor aan de warme maaltijd begonnen werd. Tussen de middag verbleven nieuwkomers, zwakzinnigen, onrustzaaiers en ‘verloren zielen’ op de zaal, terwijl met de zinnigeren onder ons met het personeel naar de binnenplaats mochten voor frisse lucht. Helaas behoorde ik nog niet tot die enkele gelukkigen. Liggend op mijn rug zag ik slechts het hoge, boogvormige plafond en restte mij niets anders te doen dan te wachten tot de dokter bij mij was aangeland, om mij te onderzoeken en mijn medicijnen te geven. Het waren vieze drankjes waarvan je braaknijgingen en tergende buikpijnen kreeg en ik had al bemerkt dat me slapende houden hem niet belette ze toe te dienen. Na enkele uren misselijk en verkrampt op mijn zij te hebben gelegen, werden sommigen van ons afgevoerd voor de aderlatingen. Na afloop was je zo versuft dat je pas uren later in staat was gezamenlijk te bidden en iets te eten. Velen kregen al bij hun eerste hap brood een flauwte, niet bij machte deze inspanning te leveren. Met de nodige ondersteuning werd je naar bed geholpen waarna je de hele nacht aaneen kon slapen. Het waren slepende, moedeloze dagen. Als in trance ga je mee met de stroom. Geen gedachten, geen gevoelens, geen hoop. Je bent slechts.
Het was tijdens één van de ellenlange nachten dat ik uit mijn vaste slaap ontwaakte. Kijkend om mij heen, viel er geen zuster te ontdekken. Elke vorm van slaap werd me ontnomen bij de gedachte dat dit wel eens mijn enige kans kon zijn te ontsnappen. Snel doch geruisloos ontdeed ik mij van de dekens en klom over de rand mijn het bed. Angstvallig verzette ik mijn ene voet, gevolgd door de andere, om het vervolgens op een lopen te zetten. Adrenaline gonsde door mijn lichaam. ‘Het is nu of te nimmer!’ Gelijk ik wist waar ik zijn moest, spoedde ik me door het enorme klooster; gang in, gang uit. Het zilverachtige maanlicht bescheen de marmeren stenen onder mijn voeten en vormde lange schaduwen die over de muren gleden. De galerijen leken wel eindeloos en bij elke hoek verwachtte ik tegen een zuster op te lopen. Het gebouw was echter uitgestorven. Ik naderde twee gigantische eiken deuren, wetende wat erachter verborgen lag. Spijtig genoeg waren ze verzegeld. Ik hield stil en bekeek ze aandachtig. Des te langer ik ernaar keek, des te liever wou ik ze openen. Brandend verlangen laaide op in mijn buik en ik concentreerde me op de weggeborgen avondlucht die mij zo verleidelijk leek te wenken. De mysterieuze geluiden, het fragiele zomerbriesje, de geur van bomen in bloei. Vrijheid. Als bij toverslag opende de deuren zich, onthulden het bordes van La Salpêtrière. Verwonderd keek ik naar buiten. Een aflopende trap, een V-vormige laan, een volle maan prijkte aan de hemel. Te midden van dit waanzinnig schouwspel stonden twee mensen die met hun armen naar mij reikten. Hoewel ik hun gezichten niet zien kon, wist ik op onverklaarbare wijze dat ze het goed meenden. Van geluk vervuld liep ik op hen af en opende mijn armen voor een omhelzing. Abrupt werd ik uit de waan geholpen door een schril gekrijs. Nog versuft tilde ik mijn hoofd op van mijn kussen, om te zien waar de heisa vandaan kwam. Rijen en wederom rijen aan bedden, een hoog plafond, tumult in een eens zo vredige slaapzaal. Verwijtend en teleurgesteld keek ik toe hoe drie zusters aan kwamen snellen en de hysterica in bedwang trachtten te houden, die zojuist de nachtelijke rust verstoord had. Een droom. Slechts en niet temeer een droom. Het had allemaal zo echt geleken. Was er een verscholen betekenis die mij ontging? Wachtten mensen daarbuiten op mij? Misten zij mij en wachtten zij geduldig het moment af waarop ik me weer bij hun zou sluiten? Een gevoel, zoals ik deze al een tijd lang niet had gevoeld, verwarmde mijn binnenste en deed mij ontwaken uit de geestdodende trance. Ik moest hier uit zien te geraken, voor het te laat was! Al bijna was ik, gelijk de rest, een levende dode geworden. Een lichaam zonder geest. Neen, ik moest een plan smeden. Een ontsnappingsplan. En enkele ideeën ontsponnen zich al aan mijn intelligente brein.
De opeenvolgende dagen trachtte ik me zo keurig mogelijk te gedragen, te gehoorzamen en deugdzaam de afschuwelijke behandelingen te ondergaan. Daarbij lachte ik vriendelijk, groette de andere patiënten, de zusters en zelfs de dokter bij het toedienen van het geneeskrachtige gif. Opgewekt en stralend schreed ik door de promenade en sprak over zingende vogels en kleurige bloemen. Wat niemand doorhad, was dat ik ondertussen het labyrint aan gangen en vertrekken exploreerde, het personeel observeerde en nauwkeurig in kaart bracht wie op welk tijdstip het gebouw binnentrad en verliet. Al spoedig constateerde ik dat het personeel het onderlinge contact tussen de patiënten zoveel mogelijk trachtte te vermijden en dit belemmerde mijn informatievoorziening dusdanig. De enkele momenten dat wij dicht genoeg bij elkander waren om een gesprek te kunnen voeren, waren altijd onder strikt toezicht van zusters en bewakers. Samenzwering was uitgesloten. Ook bleek het komen en gaan van mensen van gering nut te zijn; het was enkel personeel en de meesten ervan huisden in het ziekenhuis zelf. Er was geen verband of ritme in te onderscheiden maar leek vooral plaats te vinden bij willekeur. Dit was zeer problematisch. Hoopgevende feiten waren er echter ook. Middels de vele wandelingen door het complex had ik me een plattegrond kunnen vormen en routes uitgestippeld waar zich goede schuilplaatsen en weinig toezicht bevonden. Er was echter nog één ding wat ik wilde weten. Het was tijdens een van de ochtendbaden dat ik mijn vlekkeloze reputatie in mijn voordeel gebruikte en het erop waagde de vraag te stellen die al weken door mijn hoofd spookte. “Madame?” De zuster die mij al eerder te woord had gestaan, wendde zich tot mij terwijl ze een kan warm water bijgoot. “Wat is het dat u mij wilt vragen, Lucia?” Alles hing af van dit ene moment. ‘Verbrui het niet!’ “Zuster, hoewel ik vermoed dat u het mij allicht niet kunt vertellen, vroeg ik mij af: heeft mijn moeder onlangs nog getracht met mij in contact te komen?” ‘Kijk nonchalant, kijk nonchalant! Het is van geen betekenis, slechts een onnozel detail in een bolwerk van chaotische gedachten. De interesse kun je nauwelijks opbrengen.’ Wederom die berekenende blik. Nu zou het erom spannen of mijn toneelspel werkelijk geloofwaardig over was gekomen, of zij meende dat mijn zwakke geest de werkelijkheid kon verdragen. Met moeite wist ik een glimlach te onderdrukken toen ik haar naar woorden zag zoeken. Ware het dat ze mij niets wilde zeggen, had ik dat inmiddels geweten. “Naar mijn weten heeft uwen moeder meerdermaal gepoogd u te bezoeken, doch dit is afgewezen omwille van uw psychische constitutie. Naar onzer visie bent u nog niet afdoende hersteld voor zo’n emotionele schok.” Ze schonk me een van haar medelevende blikken. “Hoezeer het mij ook spijt, wij kunnen haar geen toegang verschaffen.” Mijn wereld leek ineen te storten. Verwoed trachtte ik mijn teleurstelling te verbergen maar hierin faalde ik faliekant. Starend naar het wateroppervlak stelde ik me voor hoe het zou zijn geweest als ik tot haar had kunnen spreken, haar over mijn plan in had kunnen lichten, haar rol erin had kunnen illustreren. Ik voelde een streek door mijn haar en keek op. “Zondag zal ik u naar de Kerk accompagneren, opdat u boete kunt doen voor uw zonden en des Heeres vergiffenis kunt vragen. Tot die tijd zult u berouw moeten blijven tonen en lijdzaam uw straf ondergaan.” Na een instemmende knik wendde ik mijn hoofd af, besloot me niet bij deze tegenslag neer te leggen. Wegkomen zou ik.
Goudkleurige zonnestralen schenen door de hoge ramen het eetvertrek binnen. Patiënten en zusters waren aan de kamerbrede tafels gezeten en luisterden aandachtig naar het avondsgebed. “... En moge vergiffenis schenken aan hen die gezondigd hebben, Opdat zij genezen en tot den Hemel kunnen rijzen aan het einde diens dagen. Au nom du Père, du Fils et du Saint-Esprit. Amen.” “Amen,” klonk het eensgezind. Ogen werden geopend, lepels en deksels ter hande genomen. Enkel het geluid van bestek dat over de bodems van schalen en borden schraapten. Geen spraak, geen hummen, geen gehuil. Absolute stilte. Het was een vreemde gewaarwording. Als ware een stilte voor de storm, aten we onze soep of staarden voor ons uit; in gedachten verzonken. Met de dag leek mijn plan verder te ontbinden. Tegenslag na tegenslag deed zich voor, nieuwe strategieën bleven uit. Mezelf toestaan me hierbij neder te leggen behoorde niet tot de mogelijkheden, maar ik voelde een onderliggende moedeloosheid mijn strijdlust belemmeren. Moedeloosheid leek me wederom te verlammen. Mijn overdenkingen werden onderbroken door iets buiten mijn gezichtsveld, wat mijn aandacht trok. Onophoudelijk starende ogen tegenover mij, weerhielden mij mijn bord leeg te eten. Bij elke hap die ik trachtte te nemen voelde ik de aanhoudende blik op mijn gelaat branden en tenslotte kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer weerhouden. Ik keek op. Gelijk een roofdier op zijn prooi afduikt, wierp de vrouw zich naar voren, pakte mijn japon en trok mij in één enkele beweging over de tafel. Zo snel. Ik tolde rond en werd stevig met mijn rug tegen haar aangedrukt. Haar armen omklemden de mijne. Patiënten krijsten en ik sloot mijn ogen uit angst voor wat zou komen gaan. Links en rechts hoorde ik voetstappen en zusters riepen dingen als “Laat haar los!” en “Kalmeer!”. De ferme greep van de vrouw dwong mij met haar op de tafel te klimmen zodat wij hoog boven de mensen uittorende. Jachtig geadem klonk bij mijn oor en ik voelde de scherpe snede van een koud voorwerp tegen mijn hals drukken, net niet hard genoeg om de huid te doorboren. Zelfs met mijn ogen dicht leken felle lichtscheuten voor mij weg te schieten, mijn oriënterend vermogen te mystificeren. De greep op mijn lichaam verstrakte en ik kon haar versnelde hartslag door haar huid heen ontwaren. Toen sprak zij. “Gij dwazen! Hoe heeft u gewaagd mij dit onrecht te berokkenen? Ik, de Messias des Heere! Gekomen ter opoffering voor een minder verdorven wereld. Zondigen heb ik bestraft, rechtschapenen geprezen! Gestreden heb ik, voor hen die niet tot strijden gemachtigd waren. En wat is mijn dank? Geïsoleerde opsluiting tussen Parijs’ krankzinnig gepeupel!” De vrouws borst ging wild op en neer en naar alle waarschijnlijkheid moest zij even op adem komen. Bij elke inademing intensiveerde de druk. Ik bad tot de Heer toen ik mij realiseerde welk voorwerp er tegen mijn halsslagader drukte. Niet ver van ons verwijderd had een mes gelegen, beoogd het brood mee aan te snijden. “Lisette, bedaard toch,” sprak een van de zusters. “’t Arm kind heeft u niets misdaan, bevrijd haar van uwen wrok. Mocht u mij het mes overhandigen-” “Nimmer!” Haar stemgeluid schalde door de ruimte en mijn oren suisden omwille het geweld dat hen werd aangedaan. “Enkel drastischer daden zullen u zondaars nog tot inkeer kunnen brengen! Gods Wil gebiedde uwen navolging, u zijt echter te onnozel naar Hem te luisteren! De dag des boetedoening is reeds aangebroken, als offer zal zij moeten dienen!” Het mes verwijderde zich van mijn huid, als ware het werd opgeheven en voor het eerst durfde ik mijn ogen weer te openen. De tafel was leeg, op de grond gelegen patiënten wiegden panisch heen en weer, trokken hun haren uit en jammerden van misère. Zusters hielden hun handen opgeheven en keken angstvallig op naar de bezetene die mij in haar greep hield, waagden het niet naderbij te komen. Paniek verspreidde zich in mijn lichaam. Dit was het dan, het moment waarop ik de wereld der levenden zou verlaten was aangebroken. De Hel zag ik tegemoet. Elk moment kon het mes mijn gruwelijke einde inluiden. Tijd leek te zijn stilgestaan, geluid noch beweging leek plaats te vinden. In dit laatste ogenblik van mijn bestaan, drong een vervlogen herinnering zich op. De lieve ogen van Ernest sloegen mij schattend gade en het meest waardevolle wat eenieder mij ooit gezegd had, ontspon zich aan zijn lippen: “Een band, zoals ik die met geen ander geniet, bezit ik met jou.” Tranen doorweekten mijn hart, een ongekende levensdrang maakte zich in mij los. Ik bezat nog redenen om voort te leven! Nog altijd waren er mensen die om mij gaven! Het moment om te overlijden was nog niet gekomen, mijn lotsbestemming op deze aarde was nog niet vervuld! Vurig wrikte en wrong ik, gilde en schopte in het rond. De greep op mijn armen verslapte, een maniakaal gelach echter benam mij de moed. In een flits zag ik het immens scherpe mes op me af komen waarna alles om mij heen verduisterde.
Omwikkeld in duisternis, complete stilte, eeuwige gewichtloosheid; de dood had ik me ongeveer zo wel voorgesteld. Illusionaire perceptie, daar bleek. Donkere, dikke mist omhulde mij, trok mij tegen de grond. Door het suizen van de kolkende duisternis heen, waren ijzige kreten hoorbaar, het vallen en breken van voorwerpen en het wegvluchten van tientallen voeten. Scherpe pijn, veroorzaakt door rondzwervend glas, sneed fervent door mijn hand, mijn nieuwsgierige poging de grond af te tasten bestraffend. Zo plotseling als de zwarte wind was komen opzetten, zo opeens stond hij stil. Donkere deeltjes zweefden in de lucht, verhinderden elke vorm van zicht. Geleidelijk daalden zij als een nevel op de marmeren vloer neder, opdat de mist steeds transparanter werd. Aanvankelijk bestudeerde ik mijn bebloede hand, toen deze echter niet al te geblesseerd bleek te zijn richtte ik mij op. De zaal viel amper te herkennen. De gehele vloer was bezaaid met borden, bestek, pannen en kandelaars. Her en der over de ruimte lagen patiënten en zusters verspreid, die al dan niet overeind poogden te krabbelen, gebeden prevelden of stilletjes in hun handen huilden. Timide wendde ik mij tot de tafel, verwachtend elk moment naar de keel gegrepen te worden door de geesteszieke vrouw. Ze was echter verdwenen. Juist wilde ik over de tafel klimmen toen er een onbehaaglijk gevoel op kwam zetten. Vanuit mijn ooghoeken wierp ik een zijdelingse blik op mijn omgeving. Mijn ledematen verstijfden bij de aanblik van een tiental zusters die een vernauwende cirkel om mij heen vormden. Geruisloos slopen ze op mij af, seinden elkaar onhoorbare boodschappen. Iets deed mij vermoeden dat geen enkele ontkenning hen van mijn onschuld zou overtuigen. “N’ayez pas peur, Lucia,” sprak een van hen tot mij, “onzer enig doel is je te helpen. Geen reden tot desperaat handelen.” Beving was duidelijk hoorbaar in haar stem en de boodschap deed zich meer op een smeekbede lijken. Angst viel van hun gezichten te lezen. Me afvragend waarom ze mij dusdanig angstvallig bejegenden, werd ik mij bewust van de vele blikken die op een punt voor de tafel werden geworpen. Het leek me opeens niet zo heel waarschijnlijk dat de vrouw zomaar verdwenen was. Intens berouw maakte zich van mij meester en ik bad dat haar niks overkomen was. Vertwijfeld of ik durfde te kijken of niet, bemerkte ik steeds verder te worden ingesloten. Ik vroeg me af of de zusters me bestormen zouden, mocht ik plots over tafel springen. Het was echter mijn laatste kans. Vliegensvlug zette ik me af tegen de houten banken, landde op de tafel en blikte over de rand. Roerloos, languit en grauw getint, lag de vrouw half onder de tafel verscholen, het mes nevens haar reeds bedaarde lichaam. Doch kleefde er geen bloed aan, net zomin als aan haar kledij. Ze moest louter buiten bewustzijn zijn. Ferme handen omvatten mijn polsen, bonden ze op mijn rug. Een intense kracht duwde mijn hoofd terneder, mijn mond werd dichtgebonden. Verzet pleegde ik niet. Ze was ongedeerd.
Apathisch keek ik op naar de duisternis boven mij. Gelegen op mijn rug had ik meerdere uren, zij het geen dagen, zien verstrijken. Tijd was een vaag begrip geworden, pijn een vervliegend fenomeen. Honger noch dorst konden mij deren, slaap noch kou wisten mij te boeien. Niets, niets dan ook, deed deze onbewogen kosmos verstoren. Niets, op een enkele vreemdeling na. Gedurende het zoveelste uur aaneengesloten ter hoogte te staren, doorbrak het geluid van een omwentelende sleutel de stilte. Luid krakend opende een deur die ik mij niet langer kon herinneren. Een smalle lichtbundel scheen inwaarts en het gerinkel van sleutels weerklonk vanaf de onderaardse gang. “Moge God met u zijn.” “Wees gerust, uwe Vrouwe. Dusdanig ernstig gevallen zijn mij reeds bekend. Als u ons zou willen excuseren...” “Maar natuurlijk, Pater.” Een vlammende toorts verlichtte de ruimte toen de priester binnentrad. De deur sloot zich achter hem en hij plaatste de fakkel in een aan de muur gehangen houder. Het was toen dat zijn gehele gelaat zichtbaar was. Het was een grijzende, gezette man met een prominente kaaklijn, ingevallen wangen en kromme neus. Hij oogde streng en geleerd en droeg een sobere buidel over zijn schouder. Zijn boord stond recht, zijn toog was glad. Luttele seconden waren onze blikken met elkaar verbonden, eer de priester op mij af liep. Naast mij knielde hij neder, ontsloot met de zojuist verworven sleutelbos mijn ketenen en trok mij overeind. “U dient niet te spreken.” Onthutst staarde ik de man aan, verlangde na dezen woorden des te meer naar antwoorden. Toch leek het mij beter te zwijgen: naar aller waarschijnlijkheid zou de man mij van deze gevangenschap verlossen, ik had zijn belangen te behartigen. Na een instemmend knikje ontvouwde hij een zwarte mantel die hij over mijn schouders en hoofd drapeerde. Een mantel die, zo realiseerde ik mij, feitelijk een boetekleed was. Een flits van verschrikking schoot door mij heen. Een zwart boetekleed... Dit had slechts één ding te betekenen. “Komt mee, onzer tijd is nagenoeg verstreken.” Gehaast trok de priester me naar zich toe, drukte mijn hoofd tegen zich aan als ter bescherming en stopte de sleutelbos in zijn buidel. Onbeholpen baanden we ons samen een weg door de smalle deuropening en vervolgden onze reis door eindeloos lange gangen en galerijen, die wonderbaarlijk genoeg verlaten waren. Het was nacht. Het had iets naargeestigs, hoe de schaduwen over de tegels gleden, hoe geen levende ziel zich in het hospitaal leek te bevinden, hoe enkel onze gejaagde voetstappen de stilte doorbraken. Minuten verstreken, afstanden werden afgelegd. De vele complexen van La Salpêtrière gingen aan ons voorbij toen we de majestueuze binnenplaats doorkruisten. De binnenplaats die ik, hoe het ook zij, nooit meer zou hoeven aanschouwen. Gedurende de langdurige tocht waren mijn emoties wat bedaard en had ik nagedacht over mijn naderend lot. Na alles wat ik had moeten doorstaan, leek de dood mij een vreedzaam einde. Een gewenst slot aan een scala aan rampspoed en leed. Ik omarmde het met overgave. We hielden stil voor twee enorme, eiken deuren. De deuren die ik mij herinnerde uit mijn droom. ‘Verlost, eindelijk.’ Mijn vrijheid werd bezegeld door het eindigen van zijn grip, toen de priester een roestige sleutel tevoorschijn haalde en in het slot omkeerde. Frisse wind kwam me tegemoet, de geur van een zwoele nazomer, van bloeiende bomen. De geur van verlossing. De priester ging mij voor en ik volgde. Beheerst sloot ik de deuren achter mij en wendde mij in afwachting tot hem. Verschrikt wierp ik mij achterwaarts bij het afschuwelijk aangezicht. Omgekruld in een onmenselijke houding, was hij ter aarde gestort. Aan de grond genageld aanschouwde ik hoe de man krampachtig naar zijn gezicht greep, snerpende pijnkreten trachtte te smoren. Zijn huid leek te verbleken, zijn lichaam ineen te krimpen en zijn stugge, grijze haren leken toe te nemen. Sidderingen maakten zijn lichaam oncontroleerbaar en zijn handen gleden weg van zijn gezicht. Iets zo gruwelijk, had ik nog nooit van mijn leven gezien. Het hele gelaat van de man leek zich te vervormen, te herconstrueren gelijk kneedbare klei. De kaaklijn drong terug, de neus verrechtte zich. Vlees zette uit, kromp, verplaatste. Doornige struiken aan mijn rechterhand ritselden onheilspellend en ik wenste weer binnen te zijn. Een donkere gedaante rees op uit het gewas, ontdeed zich van de klittende doorntakken en stoof op ons af. Huilend dook ik ineen, bad om vergiffenis. Op de achtergrond hoorde ik de priester een laatste kreet slaken en hijgend van de grond getild worden. “Eleanor?” Enkele seconden gingen voorbij tot ik mij realiseerde dat het mij betrof. Geheel uit het veld geslagen door het horen van mijn werkelijke naam, vergat ik al mijn angst. Voorzichtig hief ik mijn hoofd wat op en blikte over de om mijn knieën geslagen armen. Verderop stonden twee mensen. Mensen die, door het heldere maanlicht, niet langer vreemd voor mij waren. Mijn moeder, fier en rechtschapen, glimlachte mij geëmotioneerd toe terwijl ze bevestigend kneep in de hand van de jongen naast haar. Gehuld in kledij die niet langer passend was, stond een jongen met lange, krullende haren. Het was Ernest. “Maman,” wist ik fluisterend uit te brengen. “Ma fille!” Zij het gek van vreugde spoedde zij zich naar mij toe en nam mij in haar armen. “Mon petit rayon de soleil! C’est toi?” “Oui, Maman,” wist ik huilend uit te brengen. “Ik heb jullie zo gemist!” Maman streek door mijn vuile haren, veegden in het voorbijgaan de van vreugde vervulde tranen van mijn wangen. Nooit had ik gedacht me nog zo veilig te zullen voelen, in haar warme schoot te kunnen liggen. Ferm klampte ik me aan haar vast, opdat we nimmer van elkander gescheiden zouden worden. Ernest knielde naast ons neer en plaatste zijn hand op mijn schouder. “We vreesden dat we te laat waren, dat ze je zouden ombrengen wanneer het aan het licht kwam. Ofwel dat je onderhand geconcludeerd had te zijn verlaten, vergeten en verstoten te zijn door hen die je liefhadden.” Ook Ernests ogen glinsterden in het geringe licht. “We wisten niet of we je ooit weder zouden zien.” Gelukzaligheid deed mijn hoofd duizelen. Het bracht me in verwarring en een poging tot logisch denken beantwoordde geen van mijn vragen. Zonder exact te weten wat ik vragen wilde, begon ik mijn verhoor. “Wat aan het licht kwam? Hoe hebben jullie... Ik begrijp niet- De Priester!” Mijn onbevangen raaskallen werd onderbroken door Ernests sussend opgeheven hand. “Wat je nu ter ore komt, zal enigszins onwaarschijnlijk lijken...” Hij wisselde een weifelende blik met onze moeder en slaakte een diepe zucht. “Allicht heb je jezelf afgevraagd hoe al dezer mysterieuze voorvallen verklaard konden worden, wat jouw aandeel erin geweest is. Krankzinnig ben je verklaard, door den Duivel verleid tot zonden die je feitelijk nooit begaan hebt. Ironisch genoeg was het de eerst gegeven verklaring die de waarheid bevatte.” Met grote ogen staarde ik mijn broer aan. Geloofde ik dit werkelijk? “Maar... Maar dan ben ik een-” “Een heks.” Liefdevol lachte mijn moeder me toe. “Onmagisch volk weet onze raadsels niet te plaatsten, veroordeelt ons, verjaagt ons. Gedwongen leven wij in de schaduwen, onttrekken ons aan alle aandacht uit vrees voor ons leven. Niet bij machte je zonder groot omhaal te kunnen bevrijden, wachtten wij tot je ‘onwenselijk’ verklaard zou worden, opdat je onder het mom van veroordeling het gebouw zou mogen verlaten. Uitgesloten was wel, dat een van ons je meekrijgen zou, zodoende werd dit plan beraamd.” Haar veelbetekenende blik deden mijn ogen afglijden naar Ernests ruime kleding. Niet begrijpend, keek ik eens goed. Het waren de toog en sjerp van de priester, zelfs zijn buidel droeg hij bij zich. “Was jij de priester?” Een gewiekste grijns deed zijn mondhoeken omkrullen. “Het had ook niet tot mijn verwachtingen behoord dat je de wonderen van Wisseldrank al zou kunnen bevatten. Tamelijk hoog gegrepen voor een eerstejaars.” Nu keken zij mij beiden verwachtingsvol aan, leken de voor de hand liggende vraag zowat uit me te willen trekken. Ik slikte even, voor ik me voor het antwoord kon openstellen. “Hoe bedoel je ‘eerstejaars’? Bestaat er een academie?” Ernest richtte zich op, sloeg de buidel over zijn schouder en bood mij een hulpvaardige hand aan. “Je beredenerend vermogen valt uitzonderlijk te noemen, genoeg tijd hebben we echter verspild.” Soepel kwam ik overeind en ook onze moeder voegde zich bij ons. Beiden pakten mijn hand. “Ik meen dat het moment aangebroken is, te vertrekken naar een plek waar onze talenten meer op waarde worden geschat.” Voor het leven verenigd, schreden we gedrieën de boulevard van het hospitaal af, een historie aan leed en beproeving achter ons latend. Geen laatste blik over onze schouders, geen verlangen naar wat was. Gelijk onzen voeten buiten het hek geraakten, verdwenen we als bij toverslag; wetende een meer lichtende toekomst tegemoet te gaan.
Fin
Dit bericht is gewijzigd op 02-12 21:06.
|