Berichten: 5626
gebruiker
Verstuur privé bericht
|
Herinneringen.
‘James,’ zeg ik zacht en ik hoor dat mijn stem smekend klinkt. We kijken elkaar lang aan en er heerst een stilte die omtrokken is van pijn en ontzetting. Zijn ogen kijken me doordringend aan en zijn blik straalt een en al ongeloof uit. Wanhopig kijk ik naar zijn teleurgestelde gezicht en ik pijnig mijn hersens, op zoek naar de juiste woorden. Een onbekend gevoel overvalt me. Onwillekeurig moet ik ineens aan Pippeling denken, die nooit uit zijn woorden kwam. Hoe vaak hebben we hem wel niet uitgelachen? Een ironische glimlach welt in mij op en ik doe moeite om hem te onderdrukken. James heeft het blijkbaar toch opgemerkt, want hij kijkt me vragend aan. ‘James,’ begin ik weer, maar hij wendt woedend zijn blik van me af en loopt met rusteloze passen naar de oever van het meer waar hij met glazige ogen over het water staart. Ik heb geen idee hoe ik nu verder moet. Besluiteloos laat ik me tegen de dichtstbijzijnde boom op de grond zakken en ook ik staar nu in de verte. Voor het eerst ben ik me bewust van de omgeving. Vanaf het moment dat ik hier ben, is het enige wat me bezig hield het vinden van Lily en James. Ik moet het uitleggen. Ze hebben recht op een verklaring, ze moeten weten waarom ik mijn belofte gebroken heb.
Mijn hoofd leunt zachtjes tegen de boom aan en ik hoor vogels fluiten. De zon staat laag in de hemel en laat haar laatste stralen over het bos vallen. Ondanks alle vertwijfeling raakt de schoonheid van deze omgeving me diep. Over het hele gebied hangt een heldere mist, een mist zoals ik nog nooit eerder gezien heb. Je zou bijna denken dat de omgeving aan het oog wordt onttrokken, maar het is meer dat de nevel zich nog niet tot een massa, tot de omgeving heeft gevormd. Ik voel me onrustig, zeer onrustig, maar op de een of de andere manier heerst er toch een bepaalde vorm van vrede in mij. Alsof de omgeving invloed heeft op mijn innerlijke zijn. Als betoverd kijk ik naar de zilverachtige glinsterende gloed van het meer. Het doet me denken aan Zweinstein, mijn dierbare Zweinstein waar ik zoveel fantastische jaren heb doorgebracht. Onmiddellijk razen de herinneringen voor mijn ogen, de zwerkbalwedstrijden, de overwinningen van Griffoendor, de Sluipers, James…. Mijn ogen glijden over James en een vlaag van onmacht stroomt door mijn lijf. Een lichte drang om het gewoon zo te laten en mijn weg te vervolgen sluipt mijn gedachten binnen. Nee, denk ik, zo ben ik niet. Ik ben een Griffoendor, ik kan niet opgeven! Waar is mijn “moed” nu gebleven? Ik moet rekenschap afleggen aan mijn beste vriend, althans, aan wat mijn beste vriend in ieder geval was. Misschien wil hij niets meer van me weten, maar dat wil niet zeggen dat ik hem in de steek mag laten, niet na wat ik gedaan heb.
Abrupt sta ik op en loop naar James toe. Lily heeft zich ondertussen bij hem gevoegd en praat met hem, of eerder, praat tegen hem aan. James laat geen spoortje van reactie zien. Zachtjes kuch ik om te laten weten dat ik er ben. Lily kijkt me langzaam aan, maar James blijft onbewogen staan. ‘Zeg maar niets, ik wil het niet horen. Ik hoef niet te weten wat belangrijker was dan je belofte aan ons en Perkamentus, wat belangrijker was dan onze zoon, jouw petekind!’ De sarcastische ondertoon in die laatste zin ontgaat mij geheel niet. ‘James, luister, ik begrijp dat je teleurgesteld in me bent,’ – hij kijkt me minachtend aan – ‘maar ik moet het je uitleggen, dat ben ik je verschuldigd, snap dat dan!’ schreeuw ik uiteindelijk uit. James maakt aanstalten om weg te gaan, maar Lily legt haar hand zacht maar dwingend op zijn schouder. ‘Luister naar hem, James, laat hem uitpraten,’ zegt Lily met haar zuivere stem. Ik merk dat het me goed doet om haar weer te zien, haar uitstraling geeft iedereen altijd hoop. James kalmeert een beetje, maar hij kijkt me nog steeds niet aan. Lily geeft mij een klein knikje om te zeggen dat het goed is en ik begin opnieuw. ‘James, ik weet dat ik met woorden niet genoeg kan zeggen. Ik kan überhaupt niet goedpraten wat ik gedaan heb, maar ik wil dat je me begrijpt. James, ik wil dat je mijn herinneringen ziet.’ Er valt een stilte en James en Lily kijken me onbegrijpend aan. ‘Gebruik legilimentie.’ ‘Sirius,’ Lily kijkt me bezorgt aan en ze weet duidelijk niet wat ze moet zeggen. ‘Sirius je bent dood, net als wij. Onze toverkracht werkt hier niet zoals tijdens ons leven. Natuurlijk is hier magie en kunnen wij dat gebruiken, maar legilimentie is uitsluitend te beoefenen tijdens je leven.’ Ongelovig kijk ik haar aan. Het kleine beetje hoop dat zich zojuist in mij gevestigd had, is in een klap verdwenen. Verdwaasd wend ik mijn blik af en denk mismoedig na. Nu zal ik het toch moeten vertellen. Ik was er zo van overtuigd geweest dat legilimentie dé oplossing was. Dan zag James alles precies zoals het was geweest en hoefde hij niet te twijfelen aan mijn woorden. Een lange zucht ontsnapt aan mijn lippen. Ik kan mijn vergissingen nooit duidelijk uitleggen, alles wat er door mijn hoofd ging, het is een te grote warboel. ‘Maar’, zegt James koel, ‘er is een andere manier’. Verwachtingsvol kijk ik hem aan. ‘die veel moed vraagt’.
Onwillekeurig gaat zijn hand naar zijn hoofd toe en hij strijkt nonchalant door zijn haar. Dat gaat daardoor alleen maar meer door de war zitten, maar het is het beste gebaar dat James me kon geven. Het feit dat hij weer bezig is met zijn vaste, alledaagse handelingen wil zeggen dat hij bereid is om naar me te luisteren. Terwijl ik meewarig naar het haar van James kijk, vervolgt deze zijn verhaal. ‘Het is mogelijk om herinneringen uit je leven her te beleven, maar het zal zeer intrigerend zijn, meer dan je je kunt voorstellen. Je zult al je gevoelens en angsten terugvoelen en sommige misschien wel heftiger omdat je de gevolgen van je keuzes kent. Hoewel veel mensen denken dat je na je dood geen last meer zult hebben van je emoties, is niets minder waar. Zodra je de grens van de dood passeert, kun je veel emoties pas ten volle beseffen.’ James laat even een stilte vallen en werpt een korte, veelzeggende blik op Lily. ‘Gelukkig zijn dat vaak ook positieve emoties en kunnen we deze beter relativeren. Door de kennis die nu hebben van het leven, kunnen we die heftige emoties goed verwerken.’ ‘Bovendien,’ voegt Lily toe, ‘zorgt de oeroude magie van deze dimensie ervoor dat we ons rustig kunnen voelen en vrede kunnen hebben met ons leven en onze dood.’ Ik ben me meteen weer bewust van het dubbele gevoel dat ik zojuist had. Enerzijds stressvol en wanhopig, omdat ik bang ben dat James en Lily me niet kunnen vergeven, aan de andere kant is er dat vage gevoel van rust, dat alles goed komt. Toch overheerst het eerste gevoel en ik weet dat ik geen echte vrede zal kunnen hebben totdat ik James en Lily heb kunnen laten zien hoe ik in de val ben gelopen. ‘Ik ben een Griffoendor, James, jij bent mijn beste vriend, ik zal alles en dan ook alles doen om jou een verklaring te kunnen geven. Ik smeek je om me te vertrouwen, zoals je vroeger deed, toen je vroeg of ik Harry’s peetvader wilde zijn.’ James geeft weer eens geen reactie en woedend kijk ik hem aan. ‘Alsjeblief James, kijk me niet zo minachtend aan, die blik bewaarde je vroeger alleen voor Secretus!’ Hoewel James toegevend was begonnen met zijn uiteenzetting over de dood, was zijn stem steeds grimmiger geworden. Bij zijn laatste zinnen had ik zelfs een vleugje ironie opgemerkt, die Lily snel geprobeerd had te verbergen. Nu kijken we elkaar weer venijnig aan, allebei koppig en wanhopig. Waarschijnlijk allebei ook ergens bang om verder te praten, bang om de waarheid te horen, bang om alles opnieuw te moeten beleven. ‘Vertel me hoe het mogelijk is om mijn herinneringen opnieuw te beleven.’ Ik probeer standvastig te klinken, maar weet dat mijn stem trilt. Lily kijkt me even aan en zegt dan, voordat James weer het woord neemt: ‘Laten we naar het bos der wijsheid gaan, daar zullen we de levensbron vinden.’ Ik kijk haar lichtelijk verbaasd aan, maar ze geeft niet meer uitleg. Ongeduldig pakt ze mijn arm en knikt naar James. Dan wordt alles ineens zwart. Ik voel dat we verschijnselen, maar het bekende, drukkende gevoel dat ik daarbij tijdens mijn leven voelde, blijft weg. In plaats daarvan voel ik me juist zo licht als een veertje en heb het gevoel dat ik rondzweef in een oneindigheid.
Zo snel als alles zwart werd, is alles ook weer scherp. Ik besef ineens dat we ergens zijn beland en ik kijk langzaam om me heen. Van de lichte, mystieke mist die rond het meer hing, is geen spoortje meer te bekennen. Er heerst een soort geheimzinnige stilte, die doordringt tot in alle windrichtingen van het bos. Geen zuchtje wind is te voelen, geen vogeltje te bekennen en geen geritsel te horen. Het begint nu ook donker te worden en de schemering werpt een vreemde gloed over het bos. Terwijl ik de omgeving in me opneem verstoort Lily ineens ruw mijn gedachten door me een stomp te geven en met zich mee te trekken. Het lijkt alsof ze niet meer kan wachten in mijn herinneringen te duiken. James loopt zwijgend achter haar aan en ik vraag me af wat er in zijn hoofd om gaat. Zou hij me het liefst de rug toekeren en me nooit meer willen zien, maar niet durven vanwege Lily? Of wil hij eigenlijk dolgraag alles weten, maar is hij te trots om dat toe te geven? Ik kijk hem terloops aan en besluit dat het allebei heel goed mogelijk is, hem kennende. Na een paar minuten te hebben gelopen, vraag ik me af waarom we niet gewoon naar de juiste bestemming zijn verschijnseld en ik waag het er op het te vragen. ‘Leg jij het maar uit Lily,’ zegt James kortaf en loopt stug door. Lily vertraagd haar passen iets en komt naast me lopen. ‘Dit is het bos der wijsheid, je kunt hier alleen doorheen als je de juiste motieven hebt. Dan zal het bos je doorlaten en je leiden naar je bestemming.’ Ik weet niet goed hoe ik op deze informatie moet reageren en vraag me af hoe het bos ons kan “leiden”. Dat moet dan wel bij de magie van deze dimensie horen, hoewel, tijdens het toverschool tovertoernooi had Harry ook in een bewegend doolhof gezeten.Ik voelde een kleine afspiegeling van de trots die ik gevoeld had toen Harry het toernooi had gewonnen. Dat duurde echter niet lang, want al snel was ik terug bij mijn overwegingen wat betreft het bos. Het doolhof van het toverschool toernooi had zich ook te pas en on te pas verplaatst. Dat had echter niet zelf na kunnen denken. Hoe kan een bos nou bepalen of iemand met de juiste motieven binnenkomt? Lily draait zich om en wijst plotseling in de verte. Een enorm dichtbegroeid stuk bos lijkt daar in beweging te komen. Ik had me al eerder afgevraagd hoe we daar doorheen zouden moeten komen. Terwijl ik ingespannen naar de bomen tuur, hoor ik James iets roepen in de trant van: ‘Nee, dat kan niet! Laten ze ons door?!’ Blijkbaar is hij nog niet overtuigd van mijn motieven.
De bomen lijken zich te hergroeperen en creëren een lang kronkelig pad. Langzaam stijgt het pad omhoog en het valt me op dat de mysterieuze mist ongemerkt weer is opgezet. Midden in het bos ontstaat er langzaam maar zeker een zwevend pad, omgeven door grote, indrukwekkende bomen en plukken nevelige substantie die me doen denken aan de herinneringen in Albus’ hersenpan. Het pad vormt zich om tot een trap en begint langzaam omhoog te draaien. Lily gaat steeds sneller lopen en ook James versneld zijn passen nu. Verbijsterd volg ik de twee omhoog en vraag me stilletjes af waar we heen worden geleid. Even later komen we langs een stroom van water die uit het niets lijkt te komen. Het water vormt op het eind een waterval en aarzelend duwt James het een stukje opzij. ‘We maken een kleine omweg,’ zegt hij verbitterd. Tegen mijn verwachting in laat het water zich gemakkelijk wegduwen en gebeurt er iets waar ik geschokt van terugdeins. James wordt door de waterval opgezogen en verdwijnt in het niets. Lily kijkt met een pijnlijke glimlach naar mijn geschrokken gezicht en duwt me de waterval in. Even suis ik tollend rond, maar dan kom ik met een klap op de grond terecht. Verbazend genoeg voel ik daar helemaal niets van. Het lijkt alsof ik de grond niet kan aanraken en er gewoon overheen zweef. Ik richt mijn hoofd op om te kijken en kan mijn ogen haast niet geloven. ‘Zweinstein,’ fluister ik en kijk met open mond naar de voorbij lopende kinderen die mij niet lijken op te merken. De kinderen lijken allemaal geesten te zijn en het lukt me maar niet om ze scherp te zien. Het lijkt alsof er over iedereen een vage waas hangt. Snel krabbel ik op en loop James en Lily achterna die snel verder zijn gelopen. Ze gaan het kasteel binnen en even later bevind ik me in de Grote zaal. Het plafond is geen spat veranderd en ik zie zacht witte stapelwolkjes langs drijven. Alle tafels zitten vol kinderen die ik nog steeds niet scherp kan zien. Ik denk dat er overal druk en opgewonden wordt gekletst, want ik hoor een gonzend geluid en ik kan me niet voorstellen dat er níet wordt gekletst in de Grote zaal. Dan dwaalt mijn blik naar de lerarentafel en mijn mond valt open als ik Severus bekijk. Hoewel ik alle leerlingen vaag kan zien, kan ik een groot deel van de leraren goed zien. Vooral Severus zie ik haarscherp. Een blinde haat welt in mij op en ik kijk naar James om te zien of hij hetzelfde heeft. Maar James heeft allang geen oog meer voor mij. Hij is samen met Lily naar de tafel van Griffoendor gelopen en kijkt naar een van de leerlingen. Deze heeft een vage gloed over zich hangen die iets minder dik is als die van de rest van de leerlingen. Toch kan ik niet goed zien wie het is, hoewel daar geen twijfel over bestaat…. Een wee gevoel van schaamte overvalt me en snel wend ik mijn ogen af. Een pijnlijke herinnering komt bovendrijven en het is alsof ik zijn schreeuw nu nog kan horen. Zijn doodsbange en woedende roep van mijn naam op het moment dat ik door het gordijn in de kamer des doods viel. Had ik mijn nicht maar niet uitgedaagd, had ik maar naar Albus geluisterd, had ik mijn haat wegens Severus maar opzij geschoven! Wroeging maakt zich meester van mij en terwijl ik daar sta, in het midden van de Grote zaal, staat Albus op en gelijk wordt het muisstil. Hij laat zijn ogen door de zaal gaan en even denk ik dat hij me aankijkt, maar hij kijkt dwars door me heen. Alleen niet op de intrigerende manier zoals hij dat nog geen jaar geleden deed, maar gewoon alsof hij me niet ziet.
Een steek van pijn gaat door mijn hart en op dat moment suis ik weer tollend door een oneindigheid. Ik beland op het gras en merk dat James me heeft meegesleurd. De waterval klettert rustig door en bijna heb ik het gevoel dat ik in een paradijs ben gekomen, totdat ik in het woedende gezicht van James kijk. ‘Je bent al net zo arrogant als tijdens je leven! Alweer was Severus alles waar je oog voor had!,’ schreeuwt hij uit. Je bekommert je weer totaal niet om onze zoon, net als toen je zo hoogmoedig was om je eigen dood tegemoet te lopen!’ ‘Nu ga je te ver James! Je doet net alsof jij altijd tot het uiterste voorbereid was om je zoon te beschermen! Als jij niet zo stom was geweest om nonchalant zonder toverstok…’ ik kan mijn zin niet afmaken, want Lily staat ineens tussen ons in en kijkt ons furieus aan. ‘Stelletje kleuters! Als jullie zo stom doorgaan komen we niet verder door het bos! Bovendien schieten we hier niets mee op!’ Nog steeds woedend kijken ik en James elkaar aan, maar we schreeuwen niets meer. ‘Lily, hoe kun je het opnemen voor die verrader die ervoor gezorgd heeft dat wij onze zoon niet meer goed kunnen volgen?! Als hij nog geleefd had, zouden wij hem nu scherper zien dan dat we Secretus kunnen zien!’ Ik kijk James en Lily niet begrijpend aan. Lily vangt mijn vragende blik blijkbaar op, want ze snauwt me toe dat je alleen mensen van je eigen generatie en mensen die daar heel nauw mee verbonden zijn kunt zien. ‘Je verblijft in deze dimensie, waar je de levenden kunt volgen, totdat al je leeftijdsgenoten zijn overleden. Dan reis je door naar een volgende dimensie. Wij konden Harry goed volgen omdat jij zijn peetvader was. Nu je gestorven bent, is hij voor ons alleen nog te herkennen door Severus, die zijn hele leven in de waagschaal zet om hem te beschermen!’ Het is de eerste keer dat ook Lily haar zelfbeheersing verliest en ze valt James snikkend in de armen. Hulpeloos kijk ik toe, terwijl James Lily stevig vasthoudt en haar troost. Dit maakt alles nog gecompliceerder. Hoe had ik dit in hemelsnaam kunnen weten? Zuchtend bedenk ik me, dat het beter was geweest als we nooit naar Zweinstein waren teruggegaan. Lily vertrouwde me net en zelfs James leek enigszins welwillend te zijn. ‘James, Lily, het spijt me zo. Ik had geen idee van de gevolgen van mijn dood!’ Twijfelend kijk ik ze aan en als Lily langzaam haar betraande gezicht opheft, ga ik door. ‘Je hebt gelijk, James, ik dacht alleen aan mijzelf toen ik mijn dood tegemoet liep. Ik dacht dat ik liever dood zou zijn dan nog één dag in dat verdomde huis door te brengen!’ Mijn stem is ongemerkt omhoog geschoten en ik hoor dat ik nu schreeuw. Ik draai me om en loop naar de rand van de trap. Ik weet dat James me nu verwijtend aankijkt en ik wacht op zijn snauwende antwoord, maar dan zegt hij: ‘Maar dat was niet de enige reden toch?’ Verbaasd kijk ik hem weer aan, zijn stem klinkt weer wat zachter. ‘Nee,’ zucht ik. ‘Ik ben ook in de val gelopen, net als Harry. Severus had me op subtiele wijzen laten weten dat hij weer dienaar was van de Heer van het duister en ik geloofde zijn woord eerder dan dat van Albus.’ ‘Dat zou ik ook gedaan hebben, Sirius, ik zou hem ook geloofd hebben. Ik wil je herinneringen zien, dat is wel het minste wat ik kan doen, voordat ik je veroordeel.’ Ik kijk hem wantrouwend aan. ‘Wat is de reden van deze plotselinge ommekeer?’ vraag ik hem scherp. ‘Harry, Sirius, hij hield van je. Jij was alles voor hem. Ik kan niet boos blijven op de man die zoveel betekende voor mijn zoon. Bovendien ben je nog steeds mijn vriend, sluipvoet,’ voegt hij daar grinnikend aan toe.
Opeens klinkt er een hels kabaal en de zwevende trap begint gevaarlijk te schudden. Een grote groep vogels vliegt hard piepend weg en de waterval verdwijnt in het niets. Bang kijken we alledrie tegelijk om ons heen, maar het is Lily die het eerst doorheeft wat er aan de hand is. Ze wijst naar beneden en dan slaat de schrik om mijn hart. In het licht van de maan begint het pad, dat gedeeltelijk tot een trap vervormd was, aan de onderkant op te lossen. Ik zie dat alleen de laatste drie treden nog een vaste substantie zijn.James pakt Lily kortdaad vast en wenkt mij hem te volgen. Terwijl de trap nog stevig trilt, rennen we naar boven. De trap gaat steeds sneller wentelen en ik bedenk dat hij daarnet stil heeft gestaan. We hebben al snel een voorsprong op het oplossende pad en de adrenaline in mijn bloed krikt me op. Kwiek sla ik steeds een paar treden over en daag James uit achteruit omhoog te rennen. Lily kan mijn roekeloosheid echter niet waarderen en ze smeekt James gewoon te doen. James negeert haar waarschuwing, kijkt mij met twinkelende ogen aan en draait zich lachend om. Hij slaagt er wonderbaarlijk genoeg in om op die manier twintig treden omhoog te lopen. Dan botst hij tegen een enorme boom die het pad verspert en ik kan hem nog net op tijd vastgrijpen voordat hij in de diepte valt. Lily kijkt ons geschrokken aan, maar heeft geen tijd voor een preek, want de trap is nog maar gevaarlijk klein. Als we hier lang blijven wachten lost ook dit deel van de trap op en vallen we naar beneden. ‘Als het bos had gewild dat we niet verder kwamen, dan was de trap wel van boven af opgelost.’ zegt James krachtig. ‘Blijkbaar is het de bedoeling dat we snel bij onze bestemming komen, dus het moet mogelijk zijn door deze versperring te komen.’ Ik denk haastig na en probeer een manier te bedenken de boom weg te krijgen of er overheen te gaan, maar zonder toverstok kan ik niets. Op dat moment voel is iets branden in mijn mantel en stomverbaasd haal ik er een toverstok uit. ‘Wat!!!’ roepen Lily en James tegelijk. ‘Hoe kom je daar aan?’ vraagt Lily en snel vertel ik dat ik gewoon wenste dat ik een toverstok had om de boom te kunnen verplaatsen. Lang kunnen ze daar niet over na denken, want ik zie dat we nog maar twee treden hebben. Ik houd mijn toverstok in de aanslag en roep zonder na te denken: Reducio!
De enorme boom krimpt in onafzienbare tijd ineen en als er niet meer over is dan een klein takje, stop ik mijn toverstok weer in mijn mantel. Nog net op tijd weet ik omhoog te springen, want de treden waar de boom op lag, zijn al opgelost. Steeds hoger klim ik en ik merk dat de plukken witte substantie steeds dikker worden. Na een tijdje kan ik niets meer zien en moet ik puur op de tast verder omhoog lopen. Ik probeer vaart te houden, want ik ben bang dat als ik te langzaam ga, ik in de diepte val. Zo ren ik gestaag door, totdat de vreemde mist ineens verdwenen is. Verbaasd sta ik stil. Ik ben beland op een soort van eiland vol kale rotsen. Onder mij zie ik de meterslange trap, die nog steeds verder wentelt, waardoor ik ook nu nog stijg. Nu pas zie ik dat de witte mist als een wervelwind om de trap heen kolkt. Als het dag was geweest, had ik het hier waarschijnlijk prachtig gevonden, maar nu krijg ik rillingen als ik naar het naargeestige eiland kijk. Het lijkt donkerder te worden en als ik omhoog kijk, zie ik dat de maan langzaam verdwijnt achter een grote donkere wolk. Dan hoor ik geschreeuw achter me en geschrokken draai ik me om. Lily en James waren al vooruit gerend en één moment was ik ze even vergeten. Nu wordt het me echter weer pijnlijk duidelijk dat ze er zijn. Ze staan woedend tegenover elkaar en hun gezichten zijn vertrokken van afkeer. Ze hebben alleen oog voor elkaar en merken mij niet op. ‘Je zei dat je niet meer boos was!’ ‘Natuurlijk zei ik dat! Via zijn herinneringen kunnen we Harry zien, dat weet jij net zo goed als ik!’ Lily valt hem meteen in de rede. ‘Dat is toch geen reden om tegen hem te liegen!’ James kijkt haar nu bijna treiterend aan. ‘Nee, moest ik niet liegen tegen onze lieve Sirius? Moest ik hem in zijn gezicht zeggen dat het een schoft is zodat we vervolgens worden verdreven door die gestoorde bomen uit dit bos?’ Geschokt luister ik naar de discussie. Heeft James echt alleen maar gezegd dat hij me vertrouwde om Harry te kunnen zien? ‘Kijk me niet zo vreemd aan Lily, zeg nou eerlijk, je kan toch moeilijk sympathie voor die verrader voelen?’ Lily bijt op haar lip en even is het stil, maar dan schreeuwt ze: ‘Ik vertrouwde hem James! Hij was onze vriend en ik wilde hem echt helpen, ik wilde echt zien wat er gebeurt was, maar nu ik Harry heb gezien….’ Snikkend laat ze zich op de grond zakken. ‘Of eigenlijk, niet heb gezien, nu voel ik de diepste haat in me zodra ik hem even zie! Ik kan er niet meer tegen hem te zien, ik kan niet nog langer doen alsof ik graag wil weten wat hij heeft meegemaakt! We komen nooit door het bos heen, het laat ons nooit door!’ ‘Ik weet het, Lily, we komen er niet door. Zodra de trappen begonnen te vervagen wist ik het al, het bos jaagt je namelijk nooit op. We zijn naar dit vervloekte eiland gedreven. We moeten of de juiste instelling hebben, of weggaan. Waarschijnlijk kunnen we hier verdwijnselen.’ James loopt naar Lily toe en pakt haar op. ‘De juiste instelling hebben we niet James! Nooit!’, zegt ze schel en ze duwt James van zich af. Mijn hersenen draaien weer op volle toeren en als geroepen komt er een plan in me op. Het is nog een beetje vaag, maar ik weet wat ik moet doen. Als James en Lily weg willen gaan, moet ik ze voor zijn. Terwijl ik zie hoe James en Lily elkaar vastpakken om te verdwijnselen, zoek ik koortsachtig rond, om iets te vinden om dat ze tegenhoudt. Dan valt mijn blik op een stuk perkament. Snel pak ik het op en als ik hem omdraai, zie ik dat het een foto is. Harry kijkt me lachend aan in zijn vuurrode gewaad en de rest van het zwerkbalteam kijkt vol bewondering naar hem op. Ik heb geen tijd om me af te vragen hoe die foto hier komt, dus spring achter de bomen vandaan en zwaai triomfantelijk met de foto in mijn hand naar Lily en James. ‘Hé Lily! Je wilde Harry toch zien?’ Lily springt verschrikt op en draait zich om. Ik zie dat ze niet weet wat ze moet doen, ze wil dolgraag de foto hebben, maar vertrouwt met toch niet. Van die ene seconde maak ik gebruik. Ik sprint naar ze toe en nog voor dat James me kan tegenhouden grijp ik hun armen en concentreer me harder dan ooit op mijn bestemming. ‘De levensbron, de levensbron de levensbron, ‘ zeg ik zachtjes. Één seconde denk ik dat het mislukt, maar dan voel ik de vertrouwde zwartheid opkomen. Dit keer kom ik op beide voeten terecht en ik kijk snel naast me om te controleren of Lily en James met me mee gekomen zijn. Die zie ik gelukkig opkrabbelen en woedend om zich heen kijken. ‘Weet je dat ik op dit moment niets anders zou willen dan een toverstok om je te vervloeken!’ Razend van woede schopt hij een paar stenen over de rand van het eiland af. Zijn haar zit verschrikkelijk in de war en hij veegt het verwoed uit zijn gezicht. Opeens kijkt hij mij met een gemeen glimlachje aan en zijn hand gaat langzaam naar zijn mantel. Ook Lily’s gezicht heeft nu een wat triomfantelijker gezicht dan eerst en ook zij lijkt iets uit haar mantel te halen. Ik kan nauwelijks zien wat ze doen, want de maan is nu bijna verdwenen achter de wolken. De hemel is pikzwart en ik kan alleen maar proberen te raden wat er aan de hand is. Dan besef ik wat James net gezegd heeft en zonder ook nog maar een seconde na te denken, trek ik mijn toverstok en schreeuw: Imperio!
Lily en James laten hun toverstokken vallen en kijken me glazig aan. Verbijsterd kijk ik naar mijn eigen toverstok. Het was helemaal niet de bedoeling geweest de imperiusvloek te gebruiken. Het uitspreken van de vloek ging als vanzelf. Aan de ene kant is dat maar goed ook, want het was me nooit gelukt een onvergeeflijke vloek over mijn vrienden uit te spreken. Aan de andere kant voel ik me iets minder prettig bij het feit dat ik zojuist een onvergeeflijke vloek heb gebruikt, zonder het echt te hebben beseft. Lang blijf ik daar echter niet bij stil staan, want ik weet dat ik door moet. Ik voel een rilling langs mijn rug lopen en kijkt omhoog. Donkere wolken pakken zich samen en nu is er echt helemaal niets meer te zien. Al hoewel…. Heel in de verte lijkt er een vaag licht te schijnen. Aangezien er verder niets te zien is, besluit ik daar maar heen te gaan. ‘Naar dat licht toe lopen!’ gebied ik Lily en James en ze beginnen gehoorzaam te lopen. Ze sjokken langzaam achter elkaar aan en een tijdje volg ik hun tempo, maar naarmate het licht duidelijker wordt, irriteer ik me meer aan het trage ritme. ‘Sneller!’ zeg ik hardop en zet zelf ook een harder tempo in. Het licht wordt steeds duidelijker en nu zie ik pas dat er dikke wolken van de bekende zilverachtige substantie rond de lichtbron hangen. Na een paar honderd meter ben ik er dan eindelijk. Een grote put rijst op uit de donkere, harde grond en een helder licht lijkt van de bodem van de put te komen. Dit moet de levensbron wel zijn. De put is binnen een straal van twintig meter verhuld met wolken van herinneringen, die willekeurig als een grote bol rondzweven. Zodra ik een stap in de wolkenbol zet, wijken de herinneringen en als ik probeer ze aan te raken, drijven ze gestaag weg. Langzaam loop ik naar de put en het licht verblindt me zo, dat ik mijn ogen moet afwenden. Lily en James lopen nog steeds met me mee en ik moet moeite doen om mijn toverstok op hen gericht te houden. Ik voel dat ik tegen de put opbots en naast mij hoor ik dat James en Lily op de grond gevallen zijn. Mijn ogen vernauwen tot spleetjes als ik probeer te zien waarom ze niet meer opstaan. Het lijkt wel alsof ze in slaap gevallen zijn. Bij die gedachte moet ik zelf ineens ook gapen en ik merk nu pas hoe moe ik ben geworden van de hele reis. Het moet inmiddels dan ook al half twee ’s nachts zijn en ik doe mijn uiterste best om op beide benen te blijven staan. Tijdens mijn overpeinzingen heb ik mijn toverstok ongemerkt laten zakken en ik zie dat James en Lily wakker worden. Terwijl ze opstaan, schieten er touwen uit mijn toverstok die zich om hun armen winden. Lily begint hysterisch te schreeuwen, terwijl James akelig stil blijft. Zijn gezicht spreekt echter boekdelen. Hij is laaiend, furieus, woest. ‘Als je maar niet denkt dat ik je vergeef, Sirius. Je kunt me wel dwingen om je gedachten te zien, maar ik zal je dat nooit vergeven!’ Zijn stem slaat over bij de laatste woorden en de schorre klank doet mij huiveren. Ergens ben ik bang om alles opnieuw te beleven. Al die tijd heb ik gedacht dat dit de juiste manier was, maar nu ik hier sta, op het punt mijn leven te herleven, overvalt de twijfel me. James en Lily zullen het vast aanstellerij vinden. Wat als het ze juist alleen maar bozer maakt? Aan hun gezichten te zien is dat niet zeer onwaarschijnlijk. Misschien kan ik ze beter los laten. Ik kan toch niets meer veranderen. Moedeloos staar ik ze aan. ‘Durf je niet meer, Zwarts? Heeft de sorteerhoed je dan toch verkeerd ingedeeld? Had Zwadderich dan toch beter bij je gepast?’ James’ gezicht is van woedend naar spottend gegaan en Lily stoot een schamper lachje uit. Ze gooit haar hoofd omhoog zodat haar roodomrande ogen beter zichtbaar worden. ‘Nee, James, ik maak af wat ik begonnen ben.’ Ik ben verbazingwekkend rustig. Alles kan moeilijk erger worden en ik ben niet voor niets een Griffoendor, ik keer mijn vrienden niet de rug toe omdat ik bang ben. Kortdaad pak ik James vast. Eerst probeert hij zich los te wringen, maar ik ben sterker, altijd al geweest trouwens. Ik kijk hem diep in de ogen aan en zijn zwarte ogen lijken tot diep in mijn ziel door te dringen. Ik duw hem over de rand van de put en ik voel dat hij niet van plan is zich over te geven. Voor de laatste keer pak ik mijn toverstok en terwijl ik met een hand de tegenstribbelende James probeer vast te houden, schreeuw ik: Paralitis! James verstijfd en valt in de put. Ik hoor Lily een kreet slaken. Ze rent naar de put en nadat ze mij nog een valse blik heeft gezonden, springt ze haar echtgenoot achterna.
Als ik me over de rand van de put laat vallen, vraag ik me af hoe ik nou bij de goede herinnering kom. Als ik het zo zie, zijn hier de levens van duizenden tovenaars en heksen opgeslagen. Lang kan ik er niet over na denken, want met een klap val ik op de grond. Wonderbaarlijk genoeg heb ik nog geen enkele blauwe plek, hoewel ik vandaag, of eerder vannacht, meerdere keren op de grond ben gevallen. Ik ben in een lange gang beland. De wanden van de gang zijn zwart als houtskool, maar op sommige plaatsen schitteren er zilveren lichtjes op. Terwijl ik opsta, zie ik dat James en Lily al naar het einde van de lange gang zijn gelopen. Ik ren ze snel achterna, maar stop en met een schok als ik zie waar de gang in overgaat. De gang eindigt in een afgrond en een groot, wit, glinsterend meer ligt aan mijn voeten. Ook James en Lily staren er met grote ogen naar. ‘Wiens herinneringen willen jullie herbeleven, vreemdelingen?’ Een zware basstem klinkt door de grot en ik kijk verschrikt om me heen. ‘Van deze lafaard hier,’ zegt James minachtend. ‘Dan kan ik jullie niet helpen, deze ervaring is niet voor lafaards bestemd.’ ‘Nee!’ schreeuw ik, ‘ik ben geen lafaard! Ze moeten mijn herinneringen zien, het moet!’ ‘En wie ben jij dan wel, die anderen verplicht zijn herinneringen te beleven?’ ‘Sirius Zwarts en het is voor mij van groot belang dat mijn vrienden de waarheid kennen.’ Laat me door, laat me door, laat me door, klinkt het in mijn hoofd. Ik veeg mijn zweterige handen af aan mijn gewaad en het enige geluid dat de gespannen stilte verbreekt, is het kloppen van mijn hart. ‘Ga Sirius Zwarts en neem je vrienden mee, maar wees gewaarschuwd, met zijn drieën één herinnering beleven is geen pretje!’ Dan begint de vloer te beven en het meer lijkt in tweeën te splijten. Met donderend geraas stijgt een trap op uit het meer. Langzaam schuift het naar ons toe en Lily en ik houden onze handen voor onze oren om het gepiep dat door het schuiven wordt veroorzaakt niet te hoeven horen. James kijkt onverstoorbaar naar de trap en ik vermoed dat hij heel erg zijn best zal gaan doen om geen enkele emotie meer te tonen. Als noch Lily, noch James aanstalten maakt om de trap op te lopen, geef ik ze allebei een flinke zet en moeten hun best doen om hun evenwicht te bewaren. De trap gaat over in de zilverachtige substantie van de herinneringen en zodra mijn voeten het aanraken, voel ik dat ik het meer ingezogen wordt. Mijn hoofd suist en het wordt helemaal zwart voor mijn ogen, veel zwarter dan de duisterste nacht die ik ooit heb meegemaakt. Van alle ervaringen, zowel tijdens mijn leven als na mijn leven, was dit de vreemdste, de ongelooflijkste, en de ongemakkelijkste ervaring. Terwijl ik langzaam bijkom van het suizen in het duister, word ik me er langzaam van bewust dat ik me samen met James en Lily in één lichaam bevind. Op de een of de andere manier zijn we verenigd in één lichaam, maar kunnen we wel alle drie apart van elkaar nadenken. Ik probeer mijn ogen open te doen, maar tevergeefs. Na een paar minuten geprobeerd te hebben, hoor ik James denken. ‘Houd daar maar mee op, Sirius, je bent in je oude lichaam, je kan niets veranderen aan je leven.’ Dan besef ik dat we ons inderdaad in mijn oude lichaam bevinden, ik kan alleen maar meemaken wat ik al eerder heb meegemaakt. Terwijl ik probeer me het ongemakkelijke gevoel eigen te maken, vraag ik me af waar ik dadelijk wakker wordt en welke herinneringen ik te zien zal krijgen.
‘Sirius’ Ik kijk in de diepe ogen van Perkamentus. Hij heeft mijn heerlijke middagdutje ruw verstoord door zomaar binnen te lopen, waarop Knijster meteen het hele huis bij elkaar schreeuwde. Ik zucht, had hij me maar laten slapen, dan hoefde ik me nu niet te irriteren aan Albus’ dwingende verzoek, terwijl de sfeer van Grimboudsplein 13 zwaar op mij drukt. ‘Je bent zijn peetvader, Sirius, je hebt James en Lily beloofd op hem te passen.’ De rustige stem maakt mij kwaad. Hij heeft geen idee hoe verschrikkelijk het is om opgesloten te zitten in een huis zoals dit. ‘Hier kan ik toch niets doen! Bovendien zal niemand me herkennen als hond! James zou hier ook nooit opgesloten willen zitten!’ Koppig wend ik mijn hoofd af. Albus zal nooit overstag gaan, dat weet ik ook wel, maar toch moet ik mijn onvrede bekend maken. ‘Nee, je kan hier inderdaad niet veel doen, maar denk je dat je meer kan doen als je dood bent? Nu herkent niemand je nog als je een hond bent, maar denk je dat het een geheim zal blijven voor Voldemort dat je een faunaat bent? Het huis van James en Lily werd ook bekend.’ Ik erger me aan de wijze uitstraling van Albus en had liever gewild dat hij me verwijtend aankeek. ‘Je bent hen verplicht om je leven niet in de waagschaal te leggen, Sirius. Ik wil dat je me beloofd hier te blijven en niet naar buiten te gaan. Anders kan ik je geen bescherming bieden.’ ‘Dan doet u dat toch niet!’ Uitdagend kijk ik hem aan. Vragend kijkt hij terug. Enkele minuten is het stil, maar dan wordt de deur van de vergaderkamer opengesmeten en komt Severus binnenklossen. Zijn gezicht is verbeten en zijn vettige haar hangt zoals altijd wild om zijn knokige gezicht heen. ‘Potter heeft getoverd!’ Zijn stem trilt. ‘Hij is door het ministerie van Zweinstein getrapt!’ Onmiddellijk spring ik uit mijn stoel. ‘Wat? Dat meen je niet!’ Mijn ogen vernauwen zich tot spleetjes. ‘Denk je dat ik een grap maak? Vind je mij zo vermakelijk?’ Vraagt Sneep kil. Verwilderd kijkt hij Perkamentus aan, die kijkt met fronsende wenkbrauwen terug. ‘Welke Spreuk heeft hij gebruikt?’ vraagt hij dan. ‘De patronusbezwering.bHij beweert te zijn aangevallen door dementors,’ voegt hij daar schamper aan toe. ‘Dementors? Is daar enig bewijs voor?’ Sneep kijkt hem ongelovig aan. ‘Nee, natuurlijk niet! Potter moest natuurlijk even opscheppen over zijn geweldige toverkunsten en dacht dat het ministerie dat van hem wel zou pikken.’ Het bloed in mijn aderen kookt bij het horen van de nadruk die Sneep legt op het woordje “geweldige”. ‘Wanneer is de hoorzitting? Zegt Perkamentus, na een ogenblik van stilte. ‘Morgenochtend, ze zullen zijn toverstok door midden breken en hem vervolgens naar het ministerie escorteren.’ ‘Mmmmm, dan moet ik ogenblikkelijk een woordje met Droebel spreken. Het ministerie heeft niet het recht iemand van mijn school af te trappen. ‘Severus, zoek uit of er werkelijk dementors waren, licht de Orde in en laat Harry hierheen komen. Ik ga proberen de hoorzitting te verplaatsen. Nog voor ik het door heb zijn Perkamentus en Sneep verdwijnseld.
‘Aha, dus dat is de reden dat onze moedige Sirius zijn belofte verbrak? Hij wilde degene zijn die Harry redde van het ministerie, zodat Harry hém dankbaar zou zijn? Hij kon het niet hebben dat Sneep en Perkamentus alles voor Harry deden en hij zelf niets kon doen?’ Zodra Perkamentus en Sneep weg waren,had James het woord genomen. Ik had ondertussen ontdekt dat ik kon regelen welke herinnering ik kon zien, door heel sterk aan een herinnering te denken. Ik wist van te voren dat deze niet in het juiste keelgat zou vallen, maar deze herinnering was toch het begin geweest van mijn einde. Daarom had ik hem toch laten zien. We moeten door, besef ik. James wordt alleen maar onmogelijker als we hier langer blijven stilstaan. Ik sluit mijn gedachten af en concentreer me.
Moe zit ik in de woonkamer. Ik verveel me verschrikkelijk en maak me zorgen om Harry. Morgen moet hij naar de hoorzitting die eigenlijk vorige week had moeten plaatsvinden en ik heb weinig hoop, dat het goed gaat komen. Goed, Perkamentus heeft geregeld dat ze niet meteen zijn toverstok hadden gebroken, maar toch. Mijn gedachtegang wordt ineens ruw gestoord door geschreeuw vanuit de gang. Zuchtend sta ik op, mijn moeder is weer eens bezig, of althans, haar schilderij. Als ik de deur open doe, zie ik Harry staan en ik sta op het punt hem te begroeten, maar dan geeft mijn moeder weer een harde gil. ‘HOUD JE KOP! verschrikkelijke oude vrouw! HOUD JE KOP!’ schreeuw ik. Meteen begint ze terug te roepen, maar voordat ze haar betoog af kan maken, laat ik de gordijnen met een zwiep van mijn toverstok voor het schilderij vallen. ‘Hallo, Harry,’ zeg ik grimmig, ik zie dat je mijn moeder hebt ontmoet.’ Harry kijkt me niet begrijpend aan en snel leg ik alles uit. ‘Ik ben de laatste Zwarts, dus nu is het mijn huis. Ik heb Perkamentus aangeboden het als hoofdkwartier te gebruiken, zo ongeveer het enige wat ik tot nu toe voor de orde heb kunnen doen,’ besluit ik mijn verhaal chagrijnig.
‘Oh wat ben je toch zielig, Sirius,’ hoor ik James denken, maar ditmaal laat ik me niet kisten.’ James, nu houd je op met dat commentaar! Op het eind mag je me voor alles uitmaken wat je kunt bedenken, maar nu niet!’ Nog voordat hij iets terug kan zeggen, concentreer ik me op mijn herinneringen.
‘SIRIUS! Je bent de grootste domoor die ik ooit heb meegemaakt! Hoe kón je naar buiten gaan? Je had nooit mee moeten gaan naar het station!’ Lupos komt razend naar binnen stormen en staat trillend voor mij. Ik kijk hem even zuchtend aan, maar blijf gewoon zitten. ‘Hoezo? Moest Molly de was nu helemaal alleen doen?’ ‘Malfidus heeft je herkend.’ zegt Lupos dan kil. Hij lijkt ineens heel rustig te zijn, maar ik weet dat hij zijn woede verbijt. ‘Kom op Remus, je weet zelf ook wel dat dat niet kan, hoe kan hij nou weten dat ik een faunaat ben?’ ‘Kom op Sirius, je weet zelf ook wel dat voor de volgelingen van de Heer van het duister niets verborgen blijft.’ Doet Sneep me spottend na en hij werpt me een mysterieuze glimlach toe. Hij is onopgemerkt binnengeslopen tijdens onze discussie. ‘Was je weer eens aan het luistervinken Severus?’ Nu sta ik op en ik ga recht tegenover Sneep staan. ‘Ik heb geen tijd voor onzinnige gesprekken, Zwarts. Ik moet zaken regelen voor de orde. Zodra Perkamentus gearriveerd is, begint de vergadering.’ Met forse stappen en een arrogante blik, loopt hij de kamer uit. Ik kijk hem vol wroeging na en ik denk allang niet meer aan wat Lupos me zojuist verteld heeft. Als ik even later de vergaderkamer in kom, zit iedereen zwijgend tegenover elkaar. Een aantal van hen kijkt even op, maar niemand begroet me. Ik laat me in een stoel zakken en staar even stug voor mij uit als de rest. Dan neemt Albus het woord en begint de vergadering. Ik volg eerlijk gezegd vrij weinig van de vergadering, omdat ik me nu wel druk bezig houd met de woorden van Lupos. Als Malfidus me herkend heeft, kan ik echt niet meer het huis uit. Dan is de kans dat ik ook nog maar iets voor de orde kan betekenen weg. ‘Sirius, wil jij nog even blijven? Ik wil met je praten.’ Iedereen is opgestaan om de kamer te verlaten en Albus kijkt me met zijn diepblauwe ogen aan. Ik schrik wakker uit mijn gedachten en vraag me af hoe Albus zal reageren. Ik meen enige teleurstelling in zijn stem te hebben gehoord. Ik ga rechtop zitten en wacht totdat de andere leden van de orde de vergaderkamer verlaten hebben. ‘Ik had echt gedacht dat je je iets langer aan je belofte kon houden, Sirius.’ Ik wil mijn mond opendoen voor bezwaar, maar Albus heft zijn hand op om me tegen te houden. ‘Nee, laat mij eerst uitpraten. Ik weet dat het niets voor jou is om hier te binnen te blijven, maar je moet begrijpen hoe cruciaal het is dat jij hier binnenblijft! Het is namelijk niet alleen om jouw leven te beschermen, maar ook om de ondergang van Voldemort te bevorderen.’ Hij laat even een stilte vallen en probeert waarschijnlijk te peilen hoe mijn reactie is, want hij kijkt me onderzoekend aan. ‘Er zijn genoeg bewijzen voor het feit dat Harry degene is die hem moet verslaan.’ ‘Harry? Het is een bijzondere jongen, maar hij zal echt niet de enige zijn die hem kan verslaan hoor! Waarom laat je het mij niet tegen hem opnemen?’ Dat laatste was als stille hint bedoeld, maar Albus gaat er niet op in. ‘Geloof me, Harry moet hem verslaan en dan ook alleen Harry!’ ‘Oké, goed dan, Harry moet het doen, maar wat heeft dat met mij te maken?’ Ik kijk hem aan en ik weet dat James gezegd zou hebben dat mijn ogen op ‘uiterst uitdagend’ staan. Albus schudt ongeduldig zijn hoofd. ‘Je weet niet hoeveel je voor Harry betekend, Sirius. Die jongen heeft zoveel meegemaakt. Jij bent de vervanger voor zijn ouders. Jij moet hem de liefde geven die hij dertien jaar gemist heeft. Zonder die liefde houdt hij het niet uit.’ Albus kijkt plotseling op en ik zie dat Severus in de deuropening staat. ‘Ik moet terug naar Zweinstein, Albus. Ik kom alleen nog even zeggen dat er een uil voor je gearriveerd is en dat Minerva niet langer op antwoord kan wachten.’ Als ik me niet vergis, wisselen Severus en Albus een blik van verstandhouding en ik sta snel op. ‘Dan zal ik jou ook niet langer hier houden, Albus. Ik wil weglopen, maar als ik langs de deur kom, houdt Severus me tegen. ‘Je hebt groot gelijk hoor, ik zou ook gewoon voor de eer gaan. Soms verbaasd het me echt dat jij en James niet in Zwadderich zaten.’ Hoewel Severus zeer zacht fluisterde, lijkt het alsof hij me een klap in mijn gezicht heeft gegeven. ‘Hoe bedoel je, ik zou ook voor mijn eigen eer kiezen!’ Spuw ik hem toe. ‘Albus, ik zal de onbreekbare eed afleggen! Severus wil vast wel onze binder zijn?’ Nu kijk ik hem echt uitdagend aan. Albus doet even bezorgd zijn mond open, maar doet hem weer dicht als hij mijn vastbesloten ogen ziet. ‘Zoals je wenst,’ zegt hij alleen maar. Onze handen sluiten zich langzaam om elkaar heen en terwijl ik Albus strak aankijk, zweer ik niet meer naar buiten te gaan, ter bescherming van mij zelf, de orde en Harry. Als Albus en Sneep even later naar buiten lopen, zie ik weer heel even de mysterieuze glimlach om Sneeps lippen.
We zitten weer tegenover elkaar, Severus en ik. Een open brief ligt voor mij op tafel en gefrustreerd kijk ik hem aan. Perkamentus heeft hem de opdracht gegeven om Harry occlumentie te geven. Severus! Waarom hij! Severus lijkt mijn gedachten te raden, want zijn gezicht vertrekt in een duistere grimas en met een onheilspellende klank in zijn stem zegt hij: ‘Ik moet het doen, omdat ik de Heer van het Duister bespioneer. Ik ken zijn plannen, weet zijn manier van denken en kan dus als beste zien wanneer hij aan het werk is. Bovendien kan ik Potter zo nog wat beter in zijn oren knopen dat arrogantie tot niets leidt,’ spot hij. In een waas van woede en onmacht trek ik mijn toverstok en zet hem tegen het vettige haar van Severus aan. Die duwt hem pestend weg en vervolgt terwijl hij net íets te nadrukkelijk over zijn arm veegt: ‘het is soms misschien zelfs beter je meerdere te erkennen.’ Ik kijk hem niet-begrijpend aan. Je meerdere erkennen? ‘Je klinkt als of je wilt dat Harry zich aan Voldemort overgeeft!’ ‘O nee natuurlijk niet! Dat zou ik toch nooit willen?’ antwoordt hij sarcastisch. ‘Ik weet wel wat het met jou is, Severus! Je neemt wraak op mij door Harry te pesten, omdat ik Lily heb overgehaald voor James te kiezen en niet voor jou! Ze twijfelde en kwam naar mij toe om er over te praten en ik…’ ik kan mijn zin niet afmaken, want nu is het Severus die woedend zijn toverstok trekt. ‘en jij vertelde haar dat ik een onbetrouwbare lafaard was, terwijl James, die goede oude lieve James wel voor haar zou zorgen! Kijk nu eens wie er nog leeft en wie niet!’ Severus kijkt nooit blij, maar zó vol minachting heb ik hem nog nooit zien kijken. Als Molly niet net op dat moment was binnengekomen, hadden we elkaar vermoord denk ik. Ik wend mijn hoofd af en moet moeite doen om niet het hele huis te vervloeken. ‘Molly, haal Potter even, wil je?’ zegt Sneep kil en terwijl zij verbijsterd en zenuwachtig naar boven gaat, blijven Severus en ik vol haat en wederzijdse afkeer tegenover elkaar zitten. ‘Eh..’ zegt Harry en onmiddellijk beveelt Severus hem te gaan zitten. ‘Weet je, ik denk dat ik het prettiger vindt als je hier geen bevelen geeft, Sneep. Het is mijn huis, zie je.’ Tot mijn grote voldoening zie ik dat hij een blos op zijn wangen krijgt, maar al snel hersteld hij zich en legt aan Harry uit wat de bedoeling van occlumentie is. Ook dit keer kan ik de smalende, neerbuigende manier van praten niet uitstaan en binnen de kortste keren zijn we weer bij onze discussie beland. Ik besluit nog een keer te vragen, waarom hij de lessen moet geven en of hij ze niet gaat gebruiken Harry te pesten. Eigenlijk weet ik het antwoord al. ‘Het is je toch zeker wel opgevallen dat Harry sprekend op zijn vader lijkt?’ Een gevoel van trots overspoelt mij als ik zeg, dat dat me inderdaad is opgevallen. ‘Dan zal het je niet verbazen dat hij zó arrogant is dat hij zich niets van die opmerkingen aantrekt!’
Terwijl ik zuchtend wacht op de confrontatie die ik dadelijk met Severus krijg, voel ik dat ik weer wordt weggezogen. Al snel blijkt dat James heeft besloten genoeg te hebben gezien. ‘Sinds wanneer bepaal jij welke herinneringen we zien!’ ‘Sirius, we snappen je punt, oké! Alleen als het aan jou gelegen had, waren we over een jaar nog in deze herinnering. Ik wil dat je me wat uitlegt. Jou discussie met Severus, heb jij Lily geadviseerd voor mij te kiezen en niet voor hem?’ Ik hoor Lily zachtjes glimlachen. ‘Ja.’ Er valt een korte stilte. ‘Hoe wist Sneep dat?’ ‘Hij was Lily gevolgd, omdat hij van plan was om haar te vragen. Toen hij zag dat ze met mij ging praten, besloot hij ons af te luisteren. Zodra Lily weg was, sprong hij te voorschijn om te zweren dat hij zich op me zou wreken. Toen ik uit Azkaban was ontsnapt, zou hij me ook uitgeleverd hebben, als hij had gekund. Harry heeft daar gelukkig een stokje voor gestoken.’ ‘Wist Severus dat jij onschuldig was?’ vraagt Lily zacht. Haar stem breekt en ik weet dat ze het hier liever niet over wil hebben. ‘Ja, dat wist hij.’ Ik wacht op een reactie van James, maar die blijft merkwaardig genoeg achterwege. ‘James, ik wist dat Severus wraak wilde nemen en hij liet zo subtiel, maar toch zo duidelijk doorschemeren dat hij aan Voldemorts kant stond….’ Doodse stilte. Als ik James nu had kunnen aankijken, had ik hem een smekende blik toegeworpen. Helaas bevinden we ons nog steeds in mijn herinneringen en dus in mijn “oude” lichaam. Het ongemakkelijke gevoel was ik in het begin snel kwijt, maar nu James en Lily zo pijnlijk zwijgen, word ik me weer heel sterk bewust van het feit dat we met z’n drieën in één lichaam zitten. Alles is zwart op dit moment en ik vraag me af of ik hier niet beter mee kan stoppen. Misschien moeten we maar gewoon terug gaan naar het bos en moet ik James en Lily gewoon met rust laten. Nog steeds zwijgen James en Lily als een graf. Ik kan het ze moeilijk kwalijk nemen, ik heb ze waarschijnlijk veel stof tot nadenken gegeven. “Er is een andere manier… die veel moed vraagt.” De woorden die James nog geen twaalf uur geleden uitsprak schieten door mijn hoofd. Ik voel een lichte drang opkomen en de adrenaline raast door mijn bloed. Mijn hoofd wordt licht en ik moet ineens heel sterk aan een bepaald moment in mijn leven denken. Ik voel me weer wegdraaien en het wordt langzaam weer licht voor mijn ogen, maar net voordat we ons in mijn herinnering bevinden, bedenk ik me. Nee, deze herinnering komt pas als laatst…..
‘Hoe bedoel je, Harry maakt geen vorderingen! Die jongen heeft het talent van zijn moeder geërfd, die zou absoluut geen moeite met occlumentie moeten hebben!’ Kil kijkt Severus me aan. ‘Misschien heeft hij wat van het talent van zijn moeder geërfd, maar niet minder van de arrogantie van zijn vader. Hij neemt het niet serieus en oefent niet. Daar kan zelfs talent niet tegen op.’ Albus staat op van de vergadertafel en loopt naar het raam. Hij lijkt mijlenver weg te zijn en niets te hebben opgevangen van de hele discussie, maar ik weet dat hij momenteel aan niets anders denkt. Van alle leden, reageert hij het sterkst op de mededeling van Severus dat Harry geen vorderingen maakt met occlumentie. Ik vraag me af waarom het zo belangrijk is. Het enige antwoord dat ik tot nu toe gekregen heb ik een woedende blik van Albus en een kleinerende verklaring van Severus. “Omdat ik, die wél nuttige dingen voor de orde kan doen, heb ontdekt dat Voldemort heeft ontdekt dat hij een speciale verbinding met Potter heeft.” Terwijl ik terugdenk aan het haatdragende gezicht dat Severus toen had, komen er weer honderd emoties in mij op. Waarom kan Perkamentus, de goede, grote, geweldige Perkamentus, die overal een antwoord op heeft, hier niets aan doen? ‘Waarom laat je Severus Harry dan ook lesgeven!’ Roep ik verwijtend uit als het me allemaal te veel wordt. ‘Waarom kun je dat zelf niet doen? Is Harry te min voor je?’ Albus draait zich vliegensvlug om en ik verbaas me over die snelheid op zijn leeftijd. Zijn ogen vernauwen zich, maar zijn stem klinkt net zo kalm als normaal. Toch weet ik dat ik te ver ben gegaan, want hij kijkt me kil aan. ‘Omdat Severus, in tegenstelling tot jou, het best op de hoogte is van alle zaken en daarbij ook in direct contact staat met heer Voldemort.’ Ik wil tegensputteren, maar Albus kapt mijn woorden af. ‘En ik zou het op prijs stellen als je mijn beslissingen niet steeds in twijfel zou trekken!’ Nu klinkt zijn stem ineens wel gefrustreerd en er valt een onrustige stilte. ‘Ben je nu gepikeerd? Dan trek je die beslissingen blijkbaar zelf ook in twijfel!’ Schreeuw ik bijna uitdagend terug. Arthur en Remus kijken elkaar geschokt aan. Er valt even een onrustige stilte en dan loop Albus zonder nog een woord te zeggen de vergaderzaal uit. Severus loopt hem nog even achterna, maar komt snel terug als blijkt dat Albus verdwijnseld is. ‘Goed gedaan, Sirius, heel tactisch, zegt Remus chagrijnig en hij beent weg. ‘Ach, subtiliteit is nooit een van zijn sterkste kanten geweest, dat weten we allemaal.’ Severus komt pestend dichterbij. ‘Dus misschien moet ik iets duidelijker zijn.’ Nu fluistert hij bijna onhoorbaar en ik weet zeker dat alleen ik hem kan horen. Zijn vettige haar raakt mijn linkerwang, als hij zich naar mijn oor buigt. ‘Misschien geef ik Harry wel les in opdracht van iemand anders, misschien heb ik zo dé ideale positie om te weten in hoeverre Harry beïnvloedbaar is door de Heer van het duister en misschien, heel misschien, is er iemand die het helemaal niet zo erg vindt dat Harry niet zo bedreven is in occlumentie.’ Ik voel het bloed uit mijn gezicht weglopen. Nee, dit kan niet waar zijn. Ik wist dat Severus me haatte en ik wist dat hij mij het liefst dood zou zien, maar dat hij Harry probeerde over te leveren aan Voldemort, nee dat had ik nooit gedacht. Ik kijk hem geschokt aan en hij lacht gemeen. ‘Ik ga er weer eens vandoor, Zwarts, heb nog wat zaakjes te regelen.’ Hij loopt weg, maar staat in de deuropening nog even stil. ‘Voor het geval je naar Albus wil rennen, veel succes, hij zal erg blij zijn met je geloofwaardige verhaal!’ Verbijsterd staar ik hem na. Hij heeft gelijk, na vanavond zal Albus me nooit geloven.
Ik zit boven op zolder in mijn eigen huis en kijk naar de verschrikkelijke troep die Knijster heeft achtergelaten, op zoek naar schatten van mijn vreselijke oude moeder. De ring om mijn vinger begint ineens te branden en ik twijfel wat ik zal doen. Via die ring kunnen de leden van de Orde elkaar waarschuwen. Ik zie dat Severus met me wil spreken, maar mijn hoofd staat daar nu echt totaal niet naar. Ik besluit hem te negeren, maar langzaam wordt de ring warmer en warmer en opeens lijkt hij in vuur en vlam te staan. Geïrriteerd loop ik naar beneden, Sneep heeft beter maar iets belangrijks te vertellen! Ik kijk in de Spiegel Der Verborgen Gezichten en mompel snel ‘Severus’. Nog geen seconde later zie ik hem staan, zijn gezicht vertrokken van spanning. ‘Ah je bent dus toch thuis. Harry is net bij je in de haard geweest, wist je dat?’ ‘Wat bazel je nou allemaal, vertel me beter waarom je me zo nodig moet spreken! Ik heb geen zin mijn tijd hier te verdoen door naar jouw domme pesterijtjes te luisteren.’ ‘De heer van het duister komt terug, het is hem gelukt verbinding te leggen met Harry en nu leidt hij Harry naar zijn ondergang en naar de sleutel van zijn eigen terugkomst.’ Een vals lachje speelt om zijn lippen. ‘Het ironische is, dat hij jou als lokmiddel gebruikt, kun je je dat voorstellen? Harry denkt dat jij gemarteld wordt door Voldemort!’ Dit kan niet waar zijn, nee niet dit! Ik weet dat hij James haatte, maar dat hij zijn zoon aan Voldemort overlevert, nee, ik wist niet dat hij zo wreed kon zijn. ‘Zie ik angst in je ogen flikkeren, Zwarts? Of is het afkeer? Zal ik je nog wat meer vertellen? Albus denkt echt dat hij me kan vertrouwen! Oooh het heeft me zoveel geduld gekost, zoveel “berouw”, maar het is me wel gelukt. Hij is nu samen met de rest van de orde op weg om Harry en zijn lieve vriendjes in het ministerie te helpen, maar ik zal je één ding vertellen, als zij daar aankomen, is Harry al lang verenigd met zijn ouders.’ Sneeps duistere ogen flikkeren boosaardig. Ieder woord dat uit zijn vuile mond komt, komt aan als een harde klap in mijn gezicht. Ik heb me nog nooit zo hopeloos en woedend gevoeld als nu.
‘Ik wil het niet nog een keer meemaken! Ik kan het zo ook wel vertellen, ik ben gewoon ontzettend stom geweest! Geef zelf toe, zo ongeloofwaardig is het niet als Severus doet alsof hij bij Voldemort hoort….’ James en Lily zwijgen. Ik kan er gewoon niet meer tegen, ik voel me een verschrikkelijke lafaard, maar ik kan die herinnering gewoon niet nog een keer zien, dus ik ben teruggegaan naar de “slaapstand”, zoals ik het tegenwoordig noem als we ons in een dimensie tussen mijn herinneringen bevinden. Ik kan er echter niet tegen dat James en Lily niets zeggen, dus ik ga door met mijn verontschuldigingen. ‘James, Lily, alsjeblieft, zeg iets! Ik weet dat jullie Severus dankbaar zijn, omdat hij zijn hele leven lang Harry al beschermt, maar hoe kon ik hem niet geloven? Wij konden elkaar simpelweg niet uitstaan! Hij heeft me niet voor niets de dood ingeleid!’ Als ik een normaal lichaam had gehad, dan zat ik nu smekend op mijn knieën tegenover Lily en James. We zitten echter nog steeds met zijn drieën in hetzelfde lichaam dus ik kan alleen mijn stem gebruiken om James en Lily te vermurwen. Blijkbaar hebben die besloten niets meer tegen me te zeggen, want er heerst doodse stilte en ik krijg geen enkele reactie op mijn betoog. Dan doet James, wat hij al eerder deed. Hij dwingt me weer terug naar mijn herinnering en voordat ik het doorheb, sta ik weer oog in oog met Severus.
‘Bovendien denkt Albus dat ik Harry occlumentie heb geleerd, maar wat Harry beter doorhad dan zijn idool, is dat ik zo alleen maar goed in de gaten kon houden voor Voldemort hoe ver hij al kon doordringen in Harry’s geest. Ja, mezelf opofferen aan Albus om Harry “bijles” te geven, was misschien nog wel de meest ingenieuze zet.’ ‘Wat bedoel je, ‘Albus denkt dat Harry occlumentie heeft geleerd,’ denkt Albus dat Harry Voldemorts pogingen hem te bezitten kan tegenhouden!’ Mijn stem slaat over van woede. In mijn hoofd slinger in de ergste verwensingen naar zijn hoofd en als ik Albus ooit nog eens zie, dan heb ik hem nog heel wat te vertellen. Het bloed stijgt naar mijn hoofd. ‘Zodra Voldemort de profetie dadelijk in handen heeft, gaat hij door met zijn volgende doel: Harry bezitten en hem dwingen Albus te vermoorden. Voldemort heeft Harry nu zo goed onder controle dat Albus niets door zal hebben en als Albus uit de weg is geruimd staat er niemand meer tussen Voldemort en Harry in en kan hij die arrogante kwal eindelijk uit de weg ruimen. Terwijl zit ik lekker veilig op Zweinstein, zodat niemand mij verdenkt en ik Zweinstein over kan nemen als Albus dood is.’ Hij zendt me nog één hatelijke blik toe en dan is hij weg. Ik zak trillend in een stoel. Ik móet Albus waarschuwen, al is dat het laatste wat ik doe. Met een schok kom ik tot de ontdekking dat het dan ook echt het laatste is wat ik doe, omdat ik de onbreekbare eed heb gezworen. Sneep had dat natuurlijk allang voorzien. Hoe kon ik zo stom zijn die eed te zweren, de mysterieuze glimlachjes van Sneep hadden me allang moeten waarschuwen! Maar goed, nu is het te laat voor uitvluchten, ik moet nu handelen. Ik ga naar het ministerie toe. Eigenlijk had ik dat al besloten zodra Sneep vertelde dat de rest van de Orde al op weg was naar het ministerie, maar nu ik het echt definitief besloten heb, komt er een rillerig gevoel over me heen. Adrenaline schiet door mijn lijf en ik gooi mijn hoofd naar achter. Ik houd van het gevoel van adrenaline, het geeft me het gevoel dat ik leef, echt lééf. Als je de spanning van adrenaline voelt, ben je weliswaar in gevaar, maar het betekend wel dat je nog niet dood bent. Há, zo gemakkelijk krijgt Secretus me niet klein! Ik ga dan misschien wel dood, maar Albus en Harry niet! En ach, misschien ga ik helemaal niet dood, ze zeggen wel dat die onbreekbare eed onbreekbaar is, maar hoeveel mensen hebben hem nou al verbroken. ‘Die stomme eed houdt mij echt niet tegen Albus!’ schreeuw ik, tegen de imaginaire Albus die in mijn hoofd al bezwaren begint te roepen. Hierna gaan alle gebeurtenissen heel snel, zo snel dat ik ze niet allemaal helder meer herinner. Bij het ministerie aangekomen zie ik dat de rest van de Orde blijkbaar nog maar net weg is, heeft Sneep zich vergist en zijn ze pas later vertrokken? Ach, nu is er geen tijd om me daar druk om te maken. Waar ik wel even bij stil blijf staan, is het feit dat Albus er nog niet is. Dan merkt Remus mij op en zijn gezicht wordt wit van schrik. ‘Jjjjjjjje…je hebt de onbreekbare eed gezworen, Sirius!!!!!’ schreeuwt hij. Bij deze woorden kijken ook de andere leden me ongelovig aan. ‘Daar is nu geen tijd voor,’ schreeuw ik. ‘Snel, we moeten naar Harry!’ Na die woorden rennen we naar het departement van mystificatie en daar aangekomen, zien we dat Harry en zijn vrienden in gevecht zijn met een paar dooddoeners. Mijn hart springt op als ik mijn nicht zie en een nieuwe golf van adrenaline giert door mijn aderen. Perkamentus ben ik intussen allang weer vergeten…. het enige waar ik oog voor heb is mijn duel met Bellatrix. Hoe durft ze Harry te bedreigen! Ze stuurt een lamstraal op me af, die ik net zo handig ontwijk als James vroeger de beukers ontweek. Stilletjes moet ik in mijzelf lachen, Bellatrix is nooit een goede duelleerster geweest. Vroeger vervloekte ze me vaak genoeg, maar ze heeft me nooit kunnen raken. ‘Kom op, Bellatrix, je kunt wel beter!’ Op het moment dat ik het zeg, weet ik dat ik te overmoedig ben geweest. Ik zie haar ogen en weet dat het fout is, heel erg fout. In een flits zie ik een lamstraal op me afkomen en ik ben te verbijsterd om weg te springen. Net voordat ik me voel verstijven, valt mijn oog nog even op Albus, die zich inmiddels ook bij het gevecht heeft gevoegd. Hij kijkt terug en zijn blauwe ogen dringen door tot diep in mijn ziel. Op dat moment weet ik dat Sneep me in de val heeft laten lopen. Ik weet niet waarom, maar op het moment dat ik in het zwarte, duistere gat van de boog des doods val, besef ik hoe verschrikkelijk ik erin getrapt ben. Op de een of de andere manier snap ik ineens hoe alles in elkaar zit. Alsof de dood de waas van mijn ogen weghaalt en alle onzekerheden van het leven weghaalt. Severus is wél trouw aan Albus, hij haat mij alleen. Mijn hoogmoed en arrogantie hebben tot mijn ondergang geleid. Net voor het moment dat ik wegzak in een diepe slaap, hoor ik ergens, heel ver weg, Harry nog mijn naam roepen.
Ik heb mijn ogen nog dicht en laat me langzaam opwarmen door de zon. Ik voel me me zo vrij, zo vredig, zo gelukkig. Ik kan me alleen niets herinneren. Wat doe ik hier? Het liefst zou ik voor altijd hier blijven liggen en mijn ogen gesloten houden, maar mijn nieuwsgierigheid wint het en ik open mijn ogen. De zon is net op en haar gouden stralen laten het zwarte haar van James glimmen. Mijn mond valt open als ik hem zie, want ineens herinner ik mij alles weer. Hij zit met zijn rug naar mij toe naast Lily en staart over het zilverachtige meer, dat me zoveel doet denken aan Zweinstein. Alsof hij voelt dat ik naar hem kijk, draait hij zich om en kijkt me aan. Zijn donkere ogen in die van mij. Ze glinsteren zachtjes in het gouden licht in van de zon en ik voel dat ook mijn ogen vochtig worden. Het is weer goed, ik voel het. Ik kijk hem dankbaar aan en langzaam verschijnt er een glimlach op zijn gezicht.
|