|
lieke
|
Geplaatst op 10-03-2011, 22:59 |
Reageer
|
Berichten: 2720
gebruiker
Verstuur privé bericht
|
Ik schrijf pas een nieuw stuk als voldoende mensen gereageerd hebben Dus, Lees maar:
Inleiding: -Proloog pagina 1
Proloog
Op het oog was dit een gewone doorsnee herfstavond. Maar schijn bedriegt, deze avond was doordrongen van een zuivere toon, een mooi helder geluid in de nacht. Het stond op het punt te gebeuren en zij wisten dat. Een fiere donkere gestalte liep over een pad richting het bos. De gestalte had een lange zwarte mantel aan die tot op de grond liep. Aan deze mantel zat ook een kap vast. Ook had de mantel armsgaten, daardoor leek het op een pij van de broeders in het klooster, maar dan zwart. Naast deze liep een jongere gestalte met een vlotte geruisloze tred over het pad. Hij droeg nauwsluitende zwarte kleding: een zwarte strakke broek en een zwart tuniek jasje daarboven op. Met bijpassende laarzen van zwart leer. Achter deze twee liepen twee oudere mensen die hen moet moeite konden bijhouden, het tempo lag voor hun te hoog. Deze twee oudere mensen waren broer en zus, dat zag je aan de manier waarop ze tegen elkaar praten, en aan hun lichaamstaal. Beide zagen net zo uit als de fiere gestalte voor hun. De enige aan passing was dat op de mantel of pij van deze twee een zwart logo zat. Het logo was een afbeelding van een grootte zwarte raaf, met ogen zo rood dat ze branden. ‘Moet dit echt zo gaan?’, vroeg de jongste van de vier, ‘Kan het niet ook een klein beetje anders?’ Hij wachtte even maar er kwam geen antwoord: ‘Waarom?’ ‘Jongetje toch', bekritiseerde de oudere vrouw, ‘Hoe vaak is je dit al niet uitgelegd?’ ‘Maar het is gewoon zo oneerlijk, ze kan zich niet eens verweren.’, reageerde de jongste terwijl hij een beetje in kromp vanwege haar felle, schelle stem ‘Daar hou jij toch juist van?’, zei de vrouw daarop cynisch. ‘Ach Guior stop toch eens met zeuren en ga kijken waar Naraj uithangt.’, zei de fiere gestalte beslist, terwijl hij Guior doordringend aankeek. Deze laatste knikte vlug en verdween niet veel later geruisloos in de nacht, een lege plek achterlatend. ‘Cedaya? Morsmarin? Klopt het plan nog? Is alles gereed?’, de stem van de fiere gestalte klonk niet vragend, ook al waren zijn woorden dat wel, het klonk eerder alsof hij bevestiging wilde van het feit. ‘Ja, heer’, antwoordde de broer, Morsmarin onderdanig. De grotere, de heer, de fiere gestalte reageerde daarop met een bijna niet te zien knikje. In stilzwijgen liepen ze verder over het pad. Aan de zijkant van het pad stonden hier en daar een groepje bomen als beschutting tegen de snijdende en gure herfst wind. Enige tijd later verscheen in een ogenblik Guior wee voor de verzamelde mensen. ‘Hier is Naraj voor u, Heer.’, zei Guior terwijl hij iets van een onderdanige buiging maakte. Cedaya, Morsmarin en de Heer konden op dat moment Naraj nog niet zien maar met hun magische krachten wisten zij alle drie dat hij heel dichtbij was. Naraj verscheen bijna meteen voor hun ogen en begon langzaam en rustig te praten: ‘De kust is nu helemaal veilig, Heer’, hij sprak met een lichte bromstem, en erg onderdanig. Cedaya keek keurend naar Naraj. Zijn magere maar toch goed gespierde lichaam was duidelijk te zien onder zijn nauwsluitende tuniek jasje en zijn lange maar strakke zwarte broek, die alleen meer weg had van een legging omdat het een beetje doorschijnend was wat hem alleen maar onzichtbaarder maakte in de nacht. Net als Guior droeg ook Naraj laarzen van zwart leer. Toen ze even vluchtig naar Guior’s laarzen keek en daarna weer terug naar die van Naraj om ze te vergelijken viel het haar op dat op een kleine inkeping in de zijkant na de laarzen er hetzelfde uitzagen, het was daarmee erg waarschijnlijk dat deze twee paar laarzen van dezelfde schoenmaker waren. Die laarzen zorgde ervoor dat Naraj’s en Guior’s voetstappen nog verder gedempt werden, als dat al mogelijk was. Zijn korte, maar zeker niet gemillimeterde, haar was zo zwart als de nacht, maar achter in zijn nek had zijn haar langere plukjes. Zijn ogen waren van een rare kleur bruin, welke veel weg had van modder. Cedaya keek naar zijn gezicht, zoals ze zo vaak had gedaan, zijn gezicht was gesloten, met ruwe trekken van zijn werk en een enkel litteken onder zijn rechter ook, een kleintje maar, maar duidelijk genoeg om wit af te steken tegen zijn door de zon gebruinde huid. ‘Waar zijn de paarden?’, vroeg Naraj rustig, ervoor zorgend dat hij zijn stem gedempt hield. ‘Ow, die maakte teveel lawaai’, zei Cedaya achteloos even bedacht ze zich iets, eerst Guior en nu Naraj, het leek wel alsof ze allebei het plan niet kende. Of dat ze het deden om haar te irriteren, want zij wisten dat zij daar altijd op zou reageren: ‘Jij kent het plan toch wel?’ ‘Ja’, was Naraj’s enige reactie, zelfs zijn gezichtsuitdrukking veranderde geen millimeter. ‘Wat doe je dan in moeilijk? De paarden waren alleen maar hinderlijk’, ze zuchtte. Ook Guior zuchtte en haar aandacht richtte zich daarbij op hem. Weer liepen ze in stilzwijgen verder. Toen ze bij het kasteel aankwamen waren Cedaya, Morsmarin en Guior ineens in de nacht verdwenen. Naraj klopte aan en ergens achter de poort van het in de schaduwen gelegen kasteel begon er een lichtje te branden. Naast de poort werd een luikje geopend. ‘Wie is daar?’ vroeg een slaperige soldaat terwijl hij geeuwde door het luikje. “Wie is daar?” Kon je echt niks originelers verzinnen dan dat, soldaat? Dat zie je toch. Kijk eens uit je doppen soldaat. Dit is de grote Tovenaar. En als je mij nu oog nog gaat vertellen dat jij niet weet wie hij is en ons niet onmiddellijk binnenlaat heb ik heel wat meer te doen dan een boos woordje spreken.’ De soldaat kreunde, weer fout, dat werd stallen mesten. ‘Sorry, meneer, ik had u en uw Heer moeten herkennen.’ Snel liep de soldaat naar de poort en deed deze met een duw open. Naraj liep snel de deur door. ‘Dank u zeer, soldaat, voor ons binnen te laten op dit late uur.’, zei de tovenaar beleefd. De soldaat was gekleed in een uniform met de kleuren van zijn kasteel , alle tinten groen, blauw en paars in elkaar overlopend als achtergrond en het logo erop: dat was een groot oog , het was een bijna ovaal oog maar links onder was het oog niet gesloten. Ook rechts onder was het oog niet helemaal ovaal er liep een gebogen streepje. Het oog had nog drie streepjes boven op, die wimpers voorstelde en in het midden een pupil. De soldaat leidde hun voort over de gigantische en zelfs in het donker sprankelende binnenplaats.
Meer volgt, proloog is nog lang niet af hoor Hopelijk vinden jullie het mooi
Dit bericht is gewijzigd op 12-03 19:39.
|
|
meld dit bericht aan een moderator
|
|
"That went well" -'Expecto Patronum' 'Lily? After all those years?' 'Always' - 'You have your mother's eyes' |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
lieke
|
Geplaatst op 11-03-2011, 13:57 |
Reageer
|
Berichten: 2720
gebruiker
Verstuur privé bericht
|
Dankje! Zeker van jouw is dat een compliment!
uhm... Ja, SD, ik weet dat die er in staan, maar omdat ik het verhaal al zo van buiten ken zie ik ze (helaas) zelf niet meer staan, kan jij ze in een pb ff aanwijzen dan haal ik ze er meteen uit.
Hierbij nog een stuk Proloog: (als ik de hele proloog in stukjes heb gepost komt hij in de boven post te staan, zo zal het ook gaan met de andere hoofdstukken) Vervolg Proloog Naraj had in zijn leven veel schitterende paleizen gezien, maar alleen al deze binnenplaats was schitterend. De binnenplaats was als een tuin, met prachtig gladde gazons weelderige bloembedden in verschillende kleuren waaronder lavendel, violet, indigo en nog meer onvoorstelbare kleuren die allemaal in de familie van paars hoorden, maar er waren niet alleen paarsachtige bloemen maar ook alle tinten blauw en groen waren aanwezig. Deze kleuren gingen als een zee in elkaar over. Verschillende stenen paden leidde door de tuin naar afgezonderde plekken onder prachtige bomen, verschillende soorten treurwilgen zorgde voor schaduw op sommige afgezonderde plekken. Deze plekken waar de treurwilgen stonden, lagen dan ook aan het kronkelende riviertje in de tuin. De meeste andere afgezonderde plekken werden beschaduwd door Lindebomen. Net als het bos achter dit kasteel waren bijna alle bomen afkomstig van de grote heilige Lindeboom midden in dat bos. Onder deze boom werd rechtgesproken, vonnissen beslist, vergaderd en gehuwd. Want, zo geloofde men, ook al geloofde Naraj dit niet, de godin Freyade leefde in elke Lindeboom, maar speciaal daar. Freyade was de godin van de liefde en alles daaromtrent zoals vruchtbaarheid en huwelijk en ook was ze de godin van de gerechtigheid. Naraj dacht hier verder niet bij na en keek weer naar de tuin. Daar boden verschillende Lindebomen schaduw aan allerlei verschillende plekken in de tuin, zomer- en winterlindes, zilverlindes en ook koningslindes. En verscheidene anderen. Alle mooi, sierlijk, statig maar vooral betoverend, alsof ze allemaal een mantel vol betoveringen om hadden. In een van de muren grenzend aan de binnenplaats was een poort die, zo vermoedde Naraj, naar het bos dat om het kasteel heen lag leidde. Weer ging de soldaat hun voor. Hij bleef even staan wachtten, maar hij vroeg toch maar niet waar de paarden waren, zoiets vraag je niet aan een tovenaar. Dus liep hij verder, deed een deur open en bracht de tovenaar en Naraj, die inmiddels zijn naam had gezegd, naar een ruim logeer vertrek. De tovenaar had zoals gebruikelijk erg ruime kamers en de mooiste logeer vertrekken die er waren. Met een knikje bedankte de tovenaar de soldaat, die Trexor bleek te heten. Toen Trexor, net voordat de tovenaar de deur dicht deed, vroeg of de tovenaar en zijn metgezel, Naraj, nog iets nodig hadden zoals een bad, wat eten of iets anders, sloegen Naraj en de tovenaar dit verzoek beleefd af. ‘Niet nu, bedankt, maar morgen voor het middaguur willen wij vertrekken. Kunt u ervoor zorgen dan er daarvoor al een maaltijd klaar staat?’, vroeg de tovenaar. Trexor knikte en boog, maar vlak voordat deze wegging bedacht Naraj zich iets. ‘Wilt u ook voor ons een paar paarden klaarzetten, Trexor?’, vroeg deze. De jonge soldaat in zijn kleurige uniform knikte, boog en verdween terwijl hij de deur zachtjes achter zich sloot. Naraj deed zijn mond open, maar alsof de tovenaar zijn gedachten had gelezen zei deze al: ‘Bijna…., bijna is het zo ver, bijna is de tijd daar.’
Dit bericht is gewijzigd op 11-03 14:31.
|
|
meld dit bericht aan een moderator
|
|
"That went well" -'Expecto Patronum' 'Lily? After all those years?' 'Always' - 'You have your mother's eyes' |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
lieke
|
Geplaatst op 12-03-2011, 13:34 |
Reageer
|
Berichten: 2720
gebruiker
Verstuur privé bericht
|
nieuw stukje proloog:
Proloog: Diezelfde nacht waren twee andere mannen aan het wachten. ‘Vriend?’, vroeg de oudste van hun twee, die aandachtig en zorgelijk naar de vrouw die op het bed lag keek. ‘Ja, uwe majesteit?’, vroeg de ander. De andere was duidelijk een soldaat dat kon je aan zijn uniform zien. En aan de insignes te zien die op zijn brost prijkte was hij de persoonlijke lijfwacht van de koning. ‘Hoe lang denk je dat het nog gaat duren, vriend?’, vroeg de koning. De oprechte en vriendschappelijke toon van de koning zei al veel over de hechte band tussen de koning en zijn lijfwacht. Hij keek naar de koning, en deed hard zijn best om niet naar de vrouw op het bed te kijken. ‘Bijna…., bijna is het zo ver, majesteit’, zei de soldaat en onlangs zijn trouwe en vriendelijke band met de koning hield hij zich altijd aan de voorgeschreven regels. De soldaat en de koning kende elkaar al heel lang. Hij was hofjonker geweest van de koning. ‘Weet je het zeker?’, vroeg de koning. Daarmee schudde de koning hem uit zijn gedachten. Hij knikte naar de koning en niet lang daarna, maar enkele secondes, begon de vrouw op het bed te kreunen en te puffen. De koning stond geschrokken op, maar de soldaat hield hem kalm met een hand tegen. ‘Alles gaat goed, majesteit’, stelde hij hem gerust. Een van de dienaressen naast het bed van de vrouw hield haar hand vast en begon zachtjes tegen de vrouw op het bed te praten. De dienares vertelde dat ze mocht kreunen en puffen maar ze mocht pas mee persen met de weeën als zij dat zei. Moeizaam knikte de vrouw. Niet veel later kwam er een straal bloed op het bed terecht. ‘Pers maar mee, majesteit’, zei de dienares na nog een aantal weeën. Voorzichtig begon de vrouw mee te persen. De koning en de soldaat wende allebei hun hoofd af. Dit was een vrouwen aangelegenheid. Nadat er meerdere minuten verstreken waren hoorde hij en de koning een zacht babygehuil. Blij keek de koning naar zijn vrouw en toen naar de dienares. ‘Majesteit, u hebt een prachtig gezond dochtertje’, zei de dienares toen ze met het pas geboren in doeken gewikkelde baby’tje aan kwam lopen. De koning stond op en nam dankbaar zijn gloednieuwe dochtertje in aan. De soldaat stond op en samen liepen ze naar de koningin op het bed. ‘Lieverd, wat een prachtig dochtertje hebben wij toch’, begon de koning, hij dacht even na en vervolgde ‘hoe wil je haar noemen?’ De koningin keek hem aan en glimlachte, deze vraag had ze al lang verwacht. Na even na denken zei ze een naam. De koning knikte, het was een mooie naam waarvan hij wist – hoe de hij dat wist daar had hij geen idee van – dat deze goed bij haar zou passen.
Hierna komt het laatste stukje porloog
Dit bericht is gewijzigd op 12-03 23:32.
|
|
meld dit bericht aan een moderator
|
|
"That went well" -'Expecto Patronum' 'Lily? After all those years?' 'Always' - 'You have your mother's eyes' |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|