Berichten: 3205
moderator
Verstuur privé bericht
|
~~~ Zuiver geweten ~~
De zon stond hoog aan de hemel. Het viel me op dat de lucht niet vochtig was vandaag. Iets wat me toestond vrijer te ademen, ondanks de gebeurtenis deze dag zou plaatsvinden. Het rare was dat ik dit pas vanochtend echt voelde. Besef komt later dan wetenschap; het was alsof nu pas het kwartje viel. Zelfs tijdens de repetitie was de druk niet zo zwaar geweest. Het drukkend besef, alsof de Stik de Moord op je borst zit.
Ik voelde me bijna weer een klein kind, dat de duurste vaas in het huis van haar grootmoeder heeft gebroken. Dat beklemmende gevoel als je ziet dat wat je gedaan hebt je niet meer ongedaan kan maken. Het frustrerende gevoel, omdat je weet dat ze, ondanks haar staar en lichte vergeetachtigheid het voorwerp zal missen. Haar ogen zullen de ruimte afspeuren terwijl haar mond je naam vormt. Zelf ben je al in een hoekje weggekropen, omdat je weet dat je iets stouts hebt gedaan. Je gedachten hebben je de ergste scenario’s al tot in den treure laten beleven, waarvan de ergste je doen sidderen. Langzaam sta je op en loop je richting je grootmoeder. Haar schaduw valt dreigend over je, wanneer je uit het zonlicht stapt dat door de ramen valt. Met elke stap lijk je iets kleiner te worden. De Stik de Moord ligt op je schouders. Het drukkende gevoel is op zijn ergst.
Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. De persoon naast mij raakte mijn schouder aan. “Je moet er wel even bij blijven,” zei hij vriendelijk, terwijl een glimlach zijn mondhoeken deed krullen. De bijna meelevende toon in zijn stem deed me walgen. Emotieloos keek ik hem aan. Het liefst zou ik hem iets aandoen. Ervoor zorgen dat die glimlach voor eeuwig van zijn gezicht geveegd werd. Ik keek de andere kant op.
Mijn grootmoeder had haar hand op mijn hoofd gelegd en sprak geruststellende woorden. Ondanks haar sussende woorden stroomden de tranen over mijn wangen. Ze drukte me tegen zich aan, pakte vervolgens mijn gezicht aan beide kanten beet en drukte een zoen op mijn voorhoofd. Ze zou me geen straf geven, bleek achteraf. Mijn gedachten hadden mij meer gestraft dan nodig was, legde ze uit terwijl ze haar toverstok op de vaas gericht had. Met een klein zwiepje was mijn ongelukje ongedaan gemaakt, de vaas lag ongedeerd op de grond. Ik wist het niet. Ik was pas vijf.
‘Zal vandaag ook meevallen, als ik over tien jaar terugkijk?’ vroeg ik mezelf af, terwijl ik verderop een heuvel met een gebouw op zag doemen. Het oude kerkje was verborgen geweest achter de vele struiken en bomen die er omheen groeiden. Mijn hand werd beetgepakt. Ik weigerde de persoon van wie de hand afkomstig was aan te kijken. Ergens in mijn achterhoofd wist ik dat ik hier altijd spijt van zou hebben. Dat de beslissing die mijn ouders genomen hadden niet de mijne was, maar het voelde alsof ik het móest doen. Het werd van mij verwacht. Ik had mijn naam hoog te houden. De naam van de familie. Ik boog mijn hoofd licht en keek naar mijn gewaad dat zo wit was, dat het licht leek te weerkaatsen. De eerste keer dat ik dit aandeed, barstte mijn moeder in tranen uit, tranen van geluk, zei ze zelf. Mijn jongste zusje, die op dat moment de kamer in kwam, keek haar geschrokken aan. Toen ze de blik van mijn moeder volgde, sloeg ze een hand voor haar mond. Ik draaide me om, de gezichten van zowel mijn moeder als mijn zusje stonden op mijn netvlies gebrand. Ik wilde de starende blikken niet meer zien. In de spiegel die in de hoek van de kamer op de grond stond, kon ik een glimp van mezelf opvangen. Langzaam stapte ik op mezelf af, de spiegel reflecteerde mij steeds groter. Toen ik zo dichtbij was dat ik, als ik mijn hand had uitgestrekt, ik mijn evenbeeld zou kunnen raken, stopte ik. Ook ik voelde, net als mijn moeder, de tranen achter mijn ogen branden, alleen zouden de tranen niet om dezelfde reden over mijn wangen rollen.
Hoe dichter we bij het kerkje kwamen, hoe zwaarder de stappen werden. De man naast mij paste zijn snelheid aan die van mij aan. De trage passen van de man irriteerde mij in zoverre dat ik nòg langzamer ging lopen. Hoezeer ik wilde dat hij dezelfde snelheid had aangehouden als hoe hij eerst liep. Hij zou bij het kerkje aangekomen zijn en naar binnen zijn gegaan. De dienst zou beginnen en iedereen zou zich afvragen waar ik gebleven was. Ìk de belangrijkste persoon van de dag. De enige persoon zonder mening. Een lichte zucht ontsnapte mijn lippen.
“Gaat het nog?” onderbrak een stem mijn gedachten. Zijn stem klonk licht geamuseerd, dat tot mijn grote ergernis. We stonden inmiddels bijna stil. Voor ons lag de grote schaduw van de kerk in het verlengde van zichzelf. Het maakte het gebouw nog indrukwekkender en ik bleef staan. Ik wilde het tijdstip dat de schaduw mij zou raken zo ver mogelijk uitstellen. Het moment dat de schaduw voelde als een kille aanraking van een steen.
Het was alsof ik een van de jonge vogels was die we vroeger in de tuin hadden. De beestjes hadden felgekleurde veren en leken mij daarom altijd te hypnotiseren. Op een keer hadden twee van de dieren een nest gemaakt van takjes en stro. Opgetogen was ik! Mijn vader was minder blij toen hij zag dat de veren van de vogels grijs en dof werden. De natuur had ervoor gezorgd dat de vogels minder opvielen ten tijde van het ouderschap, waardoor de jongen een grotere overlevingskans zouden hadden. Elke dag was ik bij de jonge dieren te vinden, die met de tijd groter en sterker werden; het dons werd veer, elk in de meest prachtige kleuren die je maar bedenken kon. Ik wist dat ze op een dag het nest zouden verlaten, dat ze zouden leren vliegen en leven. Dat daar oefening voor nodig was besefte ik op dat moment niet. Toen de dag van de eerste levensles was aangebroken, was het nest verlaten. Eenzaam en leeg lag het in de schaduw. De plotselinge verlatenheid van de plaats waar het normaal gesproken druk en vrolijk was, maakte dat ik een lichte vlaag van eenzaamheid voelde. Ik liep van het nest weg en besloot om de vogels te gaan zoeken. Op dat moment was ik onwetend van het feit dat ze nog zouden terugkeren. Dit zou echter een van de uitstapjes zijn waarbij de jonge dieren geleid en beleerd werden. Net, toen ik op het punt stond mijn zoektocht te beëindigen zag ik een glimp van de kleurige veren. Op de rotsen net buiten onze tuin, vleugels wijd alsof ze stonden te zonnen. Een van de grijze vogels liet zich vallen en deed en ontvouwde in zijn duikvlucht naar beneden zijn vleugels. De plotselinge weerstand van de vleugels deed hem naar voren schieten en hij klapwiekte met zijn vleugels. Enkele seconden later landde hij weer veilig naast zijn jongen die nu zenuwachtig heen en weer wiegden. Ze ontvouwden hun vleugels en sloegen een paar keer. Een laatste test. Ik was ondertussen op een steen gaan zitten en ik keek toe. De jongen maakten nerveuze geluiden terwijl ze heen en weer liepen op de rotswand. Plotseling gaf een van de ouders de eerste een duw. Ik gaf een gil, niet wetend of de vogel zich had kunnen voorbereiden op zijn val. Ik snapte het niet, ouders die hun kinderen een sprong in het diepe lieten maken. Ik was pas tien. Het beestje maakte een duikvlucht naar beneden en even leek het alsof hij te pletter zou slaan tegen de rotsen, tot hij, precies op het juiste moment, zijn vleugels ontvouwde. Precies hoe hij zijn ouders had zien doen. De ouders hadden het voorbeeld aan het jong gegeven. Mijn ouders waren van zuiver tovenaarsbloed en hun voorbeeld aan hun kroost was, om ook ooit iemand te kiezen die van zuiver tovenaarsbloed was.
De kerk was nog zo’n slordige 15 meter weg. Het zandpad dat naar de kerk leidde, kronkelde in grote bogen ernaartoe. Ik wist dat we het pad zouden volgen, in plaats van door het vochtige gras te lopen. De modder zou zich vastgrijpen aan mijn jurk en zich langzaam omhoog trekken. We zouden over het pad verder lopen. Nu had ik nog de tijd om weg te rennen, bedacht ik me.
De vlucht van de haas. Het dier wordt achtervolgd door zijn grootste nachtmerrie en vlucht tot het gevaar geweken is. Een haas zal wanneer hij begint te rennen niet weten of zijn plotselinge actie hem goed zal doen; hij kan immers ook in een zorgvuldig uitgezette val trappen, de plotseling steek in zijn poot zal hem doen gillen. Hij zou vrijwel zeker het leven laten. Het leven van het dier bruut beëindigd. Er is echter ook een kans dat de haas weg weet te komen; hij zou een beschutte plek kunnen bereiken, zonder dat een van zijn achtervolgers het zou merken. De haas wint.
Bij mij was het echter geen kwestie van leven op dood. Integendeel; veel mensen die momenteel in de kerk wachtten tot de hoofdpersonen van de dag zouden arriveren, waren het met elkaar eens dat ik een nieuw leven begon. Een nieuw leven met zekerheid en afwisseling perfect in evenwicht, als een weegschaal precies in balans. Dat niet iedereen er zo over zou denken, wist ik ook zeker. Of hun mening ooit het oor van een medemens zou bereiken, wist ik niet.
Een mening is erg belangrijk als je voor het eerst op een nieuwe school komt. Het is als een eigen identiteit. Leerlingen op een nieuwe school krijgen in hun eerste jaar een eigen voorkomen. Een naam, waar ze hun hele schoolleven bijna niet meer van af lijken te komen. Lubbermans bleef de kluns, Potter bleef altijd de held,- al had hij in zijn eentje meer punten aftrek gehad dan heel Zwadderich in een jaar-, Hork bleef de bruut en Leeflang bleef de afwezige. Ik was altijd al de meest vooruitstrevende Zwadderaar. De volbloed heks die zeker niet afgeleid werd door liefde voor modderbloedjes en snullen. Het is moeilijk om in je schoolleven zelf je imago nog te veranderen. Het is gemakkelijker om te blijven wie je bent, zeker voor de mensen die je minder goed kent. Jekers was altijd een boekenwurm geweest. Toen hij uiteindelijk dat imago achter zich probeerde te laten, liep hij rond met Hork en zijn maatjes, maar hij leek niet in staat zich aan te passen. Een Hippogrief zal nou eenmaal ratten eten en nooit een ander dieet daarboven verkiezen, hoe graag men het zou willen veranderen. Jekers wist het niet. Hij was pas 13. Mijn imago paste zich pas aan na mijn schoolcarrière. Zonder de druk van anderen was ik in staat mijn kinderjaren achter me te laten en volwassen te worden. De zaken waar ik me op school druk over maakte leken minder uit te maken.
Ik werd opgeschrikt door een laatkomer die langs ons heen glipte. Een laatkomer met donkerblond haar en groene ogen; de verschijning die ik jarenlang gehaat en verafschuwd had. De persoon die als een grijze deken de kleur van mijn herinneringen leek weg te zuigen. Vanaf het eerste moment dat ik haar leerde kennen, werd mijn leven meer bepaald door haar dan door mij. Ineens was de zekerheid die ik had als grond onder mijn voeten weggeslagen. Ik struikelde en landde in het grijze gras. De vermeende zekerheid die ik toen had, zou ik vandaag terugkrijgen, volgens de mensen die nu op mij zaten te wachten, als was het niet met de persoon die ik eerder in gedachten had. Draco Malfidus.
“Draco Malfidus”, stelde de blonde jongen met de grijze ogen zich voor. Twee figuren bewaakten stonden roerloos bij de deur van de coupé. De twee eerstejaars, de een groter dan de andere, waren mij eerst niet zo opgevallen. Het waren grijze ogen die mijn aandacht hadden getrokken, me meteen hadden aangegrepen. Ze maakten zijn huid bleker, zijn haar witter. De bijna kille verschijning, maakte dat ik heel even stil was. Ergens kwamen deze gelaatstrekken me bekend voor, voordat ik me herinnerde dat mijn moeder bevriend was met een Narcissa Malfidus. “Ik kom in Zwadderich, zeker weten,” pochte hij. De zekerheid waarmee hij het zei, kon ik wel waarderen, ik was er immers ook bijna zeker van dat ik in Zwadderich zou komen. Je kon echter nooit zeker weten. Er waren gevallen bekend van volbloed heksen en tovenaars, waarbij de hele familie in Zwadderich had gezeten, die zelf in een andere afdeling kwamen. Het ergste wat me zou kunnen overkomen was Huffelpuf. Gelukkig kwam ik in Zwadderich. Draco ook. We waren opgetogen en uitgelaten over het feit dat we op een nieuwe school zaten. Afgezien dat ons thuis verteld werd over de afdelingen van Zweinstein, wisten we van de rest van de gebeurtenissen nog net zo weinig af als de modderbloedjes en dreuzeltelgen. Het feit dat we in de trein al ontmoet hadden, maakte dat we naar elkaar toetrokken als enige kleine beetje houvast in de stroming. We werden vrienden. Ik was verrast geweest, toen Malfidus mij voor het kerstbal vroeg. Ineens waren we geen vrienden, maar een koppel. Een naam die mij wel beviel. ‘Puur vriendschappelijk’. Dat was de reden dat hij me meevroeg, maar ondanks die woorden voelde ik dat ik sterker naar hem toetrok na het kerstbal. Elk moment dat ik hem zag of alleen maar aan hem dacht, vloog er een zwerm vlinders door mijn buik. Het gevoel was zo heftig dat mijn eten nauwelijks door mijn keel kreeg. Mijn hoofd leefde niet in het ‘nu’, maar in het ‘als’. Zelfs Bezweringen, het vak wat mij het meest geboeid had in al die jaren, leek in het niet te vallen bij de verhalen die hij vertelde. Ik merkte op een gegeven moment dat hij, ondanks dat hij met me naar het kerstbal was gegaan op vriendschappelijke base, me meer aandacht gaf dan daarvoor. Ik leefde helemaal op als ik hem zag en voelde de warmte mijn wangen bereiken. Na wat een eeuwigheid leek te duren, vroeg hij me eindelijk. Dat was aan het eind van de vijfde. Ik was in de zevende hemel en ik wist niet; ik was 16 en besefte niet dat het naïef was te denken dat het voor eeuwig zou zijn.
De herinnering aan die gebeurtenis leek me niet te raken vandaag. Mijn gevoelens had ik deels uitgeschakeld. Het enige wat ik me besefte, was dat de figuur die langs mij heen gerend was, nu bij de kerk stond. Ze liep naar binnen. Waarschijnlijk liep ze nu de rijen bankjes af, op zoek naar haar verloofde. In gedachten zag ik haar naar binnen lopen. Haar ogen volgden de rijen met banken. Ze kon alleen de achterhoofden zien van de personen die op de bankjes zaten, maar dat zou genoeg zijn. De blonde lokken zouden haar opgevallen zijn en glimlachend was ze op hem afgelopen. Ze gaf hem een zoen en vleide zich naast hem neer. Hij sloeg zijn arm om haar heen, terwijl hij haar licht tegen zich aandrukte. Ik voelde een vage vlaag van jaloezie. Van af het eerste moment had ik al een hekel aan haar gehad. De grijze deken die tevens als blusdeken gebruikt kon worden. Astoria Goedleers. Goedleers was typisch het meisje van; het-lelijk-eendje-mooie-zwaan-soort. Draco en ik zaten in ons derde jaar, toen zij pas in haar eerste jaar zat. Met haar klunzige voorkomen vestigde ze al snel de aandacht op zichzelf. Ik ergerde me aan haar, maar ik wist niet precies waar het gevoel vandaan kwam. Ik liet het los, ik zag toen nog niet wat ik nu weet. Aan het begin van het zesde jaar begon de ellende pas. Ik weet nog dat we in de trein richting Zweinstein zaten. Ik was in de wolken. Ik ging terug naar school om een heel jaar met mijn kersverse vriendje door te brengen. Dat vooruitzicht maakte dat ik al vanaf het begin van de zomervakantie smachtend uitkeek naar 1 september. De dag dat de Zweinsteinexpress weer van perron 9 ¾ vertrekken zou. Ik stond al vroeg op het station en keek reikhalzend uit naar Draco’s blonde haar. Ik merkte Zabini amper op, wiens groet maakte de wangen van de jongen licht kleurde. Eindelijk zag ik de Malfidussen arriveren. Ik groette hem vrolijk en gaf hem een zoen. Van binnen gloeide ik. Nadat we onze ouders hadden uitgezwaaid, zochten we in de trein een coupé die enigszins leeg was. Korzel en Kwast zaten naast elkaar in de coupé en hadden overduidelijk ruzie om een van de stripboeken die ze hadden meegenomen. Ik zuchtte overdreven en nadat ik Draco naar binnen had geduwd smakte ik de deur achter me dicht. “Zabini komt ook zo, hij zit momenteel bij Slakhoorn,” informeerde Draco mij. “Wat kan mij het nou schelen waar Zabini uithangt?” lachtte ik spottend. Draco haalde zijn schouders op en ging zitten. Ik kroop tegen hem aan en sloot mijn ogen. Kwast had inmiddels de strip te pakken en zat rustig te lezen. Plotseling kwam zíj langsgelopen, ik voelde hoe Malfidus bewoog onder mijn hoofd opende mijn ogen. Ik keek naar de deur die inmiddels open was gegaan. Een donkerblond meisje met groene ogen stond in de deuropening. “Is hier een plaats vrij?” informeerde ze, haar ogen bleven net iets te lang op Malfidus rusten, waardoor een ik een flinke steek in mijn onderbuik kreeg. “Zabini en Hork zitten hier!” zei ik, voordat iemand de kans had om haar te woord te staan. “Ik volgens mij zit Hork..” begon ze weifelend. Ik onderbrak haar ruw. “Er is hier geen plek!” een vijandige ondertoon klonk in mijn stem door. “Waarom zoek je geen andere plek?” Astoria liep achteruit de coupé weer uit, op haar gezicht was een glimp van lichte verwarring te ontdekken. Ik keek haar minachtend aan. Toen ze verdwenen was zei Kwast, die inmiddels het stripboek had neergelegd: “Waarom zei je dat?” Ik haalde mijn schouders op en antwoordde simpel. “Ik mag haar gewoon niet.” Ik voelde de ogen van Draco in de zijkant van mijn hoofd boren, maar ik deed alsof ik het niet zag.”
“Waarom doe je zo bezitterig?” Een halfjaar later. Draco stond met een rood aangelopen hoofd en schreeuwde naar mij. De herinnering stak als een pijnlijke pijl in mijn hart. Dit zou de dag zijn. Ergens wist ik op dat tijdstip dat het mis liep. Maar hoe harder ik me aan het enige gevoel wat me dierbaar was vastklampte, hoe meer hij me van zich afduwde. Ik zag Astoria steeds vaker met Malfidus optrekken. Soms wanneer ik de leerlingkamer binnen kwam leken ze stil te vallen, alsof ik net de clou van een grap verpest had. Hun grap. Op een gegeven moment leek Malfidus me wel te mijden. Astoria zag ik des te vaker, de nachtmerries die ik had leken altijd een element van haar te bevatten. Ik denk dat ik wel wist dat het niet goed zat. Draco schreeuwde naar me. Zijn gezicht rood van woede en frustratie. Opeens vielen mij dingen op die me tijden niet waren opgevallen. Ik werd zo verzwolgen door jaloezie en onzekerheid dat ik niet had gezien hoe ingevallen Draco’s ogen waren. Ik zijn gezicht had ik niet gezien hoezeer hij was vermagerd. Er zaten diepe kringen onder zijn ogen. Het was alsof ik het toen pas zag. “Ik heb wat ruimte nodig en heb jou daarbij niet nodig!” schalde zijn laatste zin door mijn hoofd.
Ik moest moeite doen om een zachte snik te onderdrukken. We stonden nu vlak voor de kerk. “Ik heb even wat ruimte voor mezelf nodig,” fluisterde ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar, door de overstemmende geluiden die vanuit de kerk klonken. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de man die naast mij liep, nietsvermoedend zijn weg vervolgde naast mij. De snik die ik niet meer tegen kon houden deed mijn lichaam zachtjes schokken. De man naast mij hield halt en maakte dat ik ook stopte. “Patty?” zijn ogen leken mijn gezicht te observeren; te zoeken naar afwijkingen van de normale gezichtsuitdrukking. Een traan wist uit mijn oog te ontsnappen en gleed langzaam over mijn wang. De traan werd opgevangen door de palm van zijn hand. Hij keek me vertederd aan. Ik wendde mijn gezicht af en trachtte me te herstellen. “Ik heb even,” wist ik met moeite uit te brengen. “Maar de gasten..” probeerde hij. “Benno! Alsjeblieft!” klonk het dringend doch smekend uit mijn mond. Benno knikte begrijpend en stapte opzij, waardoor er meer ruimte tussen ons ontstond. Hij deed een paar stappen achteruit en draaide zich vervolgens om, om me de ruimte te geven die ik nodig had. Het is verwonderlijk hoeveel mensen verkeerd begrepen worden. Een herinnering borrelde op, net zoals de andere vandaag hadden gedaan. Ik kon simpelweg niet negeren wat in me opkwam.
De deur naar mijn moeder ’s kamer stond open toen ik langs liep. Een helder blauwe gloed, wekte mijn nieuwsgierigheid en ik liep naar binnen. Mijn moeder was niet in de kamer wat ik vreemd vond. Meestal was ze aanwezig als ze verse herinneringen in de hersenpan stopte. Ik twijfelde alvorens op de kom af te lopen en mijn gezicht er in te steken. Ik verdween in de diepte, en landde in een kleine gelegenheid in een lege stoel naast mijn moeder. Waarschijnlijk wilde mijn vader niet bij de gelegenheid zijn, maar de mensen die mijn moeder uit hadden genodigd, hadden blijkbaar toch op hem gerekend. De ruimte geurde naar wierook en alle banken wezen dezelfde kant op. Ik keek naar mijn moeder en zag een figuur die vrij veel van Draco weg had. Ik herkende haar als Narcissa Malfidus. De moeder van Draco en tevens een vriendin van mijn moeder. Ik bekeek mijn moeder eens goed. Zowel mijn moeder als Narcissa leken anders, jonger. Nu ik er zo over nadenk denk ik dat het zich had afgespeeld vlak voor of vlak nadat ze zouden afstuderen. De gelaatstrekken van beiden vrouwen hadden nog dat ronde, de bijna kindachtige vorm van hun jeugd. Ik slikte lichtjes toen ik besefte dat mijn moeder ongeveer even oud was als ik. Mijn ouders zouden nog niet eens bij elkaar zijn. De lege stoel.. Toeval? Plotseling zag ik een jongere versie van mijn vader aan komen lopen. Ik moest vlug van mijn plek wijken toen ik zag dat hij op de lege stoel afkwam. Mijn moeder en mijn vader groetten elkaar koeltjes. Ik had om me heen gekeken. Ik leek in een soort van kerk te zijn beland. Plotseling klonk er een koor van Bosnimfen en ik keek om. Door de deur liep een man in pak. Zijn postuur was niet breed, maar desondanks zag hij er indrukwekkend uit. Vooraan bleef hij staan, zijn blik verwachtend naar achter gericht. Er kwam nog twee figuren door de deur heen. De vader begeleid zijn dochter naar haar verloofde, om symbolisch aan te geven dat hij met het huwelijk akkoord gaat. De jonge vrouw die hij leidde leek alles behalve gelukkig, op een of andere manier voelde ik nu, op dit moment een soort van verbondenheid. Met haar hoofd lichtjes gebogen liep ze in een prachtig wit gewaad naar haar verloofde toe. Een glimlach gleed over zijn lippen, een uitdrukking die zowel vriendelijk als spottend zou kunnen zijn. Ik stond te ver weg om het te kunnen zien. De vrouw in het wit liep langzaam, alsof er een boze grootmoeder zou staan, wachtend op een verklaring. De verklaring van de gebroken vaas.
Even schrok ik op uit mijn gedachten; mijn hoofd schoot omhoog en ik snakte naar adem. In de ogen van de vrouw lag een angst, haar wachtte een sprong in het diepe. Ik kan me nog herinneren hoe de vrouw antwoord gaf op de vraag waar de hele dienst om draaide. Haar donkere krullen verborgen haar gezicht terwijl ze naar beneden keek. Ik kon bijna zien hoe haar ogen zich met tranen hadden gevuld, bijna voelen hoe de dikte van haar keel haar tong als verlamd had gemaakt. De vraag werd gekaatst. Zijn antwoord was duidelijk, helder positief geweest. De vraag werd nogmaals gesteld, maar nu aan haar. Een stilte viel, maar ik was zeker dat alleen ìk wist wat er in haar omging op dat moment. “Ja,” klonk er zwakjes uit haar mond, de woorden amper hard genoeg om te horen. Ik wist dat ze op dat moment haar innerlijke strijd had opgegeven. Ze gaf zich over, over aan de val, aan de straf en het nieuwe leven dat ze zou krijgen. De mensen in de zaal keken naar haar met een lichte vlaag van vertedering. Haar zachte antwoord had bij hen de indruk gewekt dat ze met een stem van liefde sprak.
Ik kon me niet herinneren dat ik me ooit zo verbonden voelde met iemand als nu. Het voelde alsof ik in een spiegel keek, de gelaatstrekken werden langzaam gedetailleerder nu ik naar haar keek en ik voelde de paniek binnen in mij weer oplaaien. Ik wist toen niet wat ik nu weet. Ik was 17 jaar oud. Mijn moeder was er achter gekomen dat ik in haar hersenpan had gekeken en ze was laaiend. Haar woedende woorden schalde door het huis als de donder klinkt in een grot. Van alle kanten in het huis leek haar boze geroep te komen. Ze vond dat ik me niet moest bemoeien met de zaken die haar op dat moment bezig hielden. De hersenpan met háár gedachten, was privé.
Enkele weken na het incident met de hersenpan, zou ik weten waarom ze op dat moment met die herinneringen bezig was. Mijn vader had me bij zich geroepen. Ik stond op boven in mijn kamer en legde het boek weg wat ik aan het lezen was. Tijden van Duisternis heette het boek. De meest belangrijke gebeurtenissen kan een mens goed onthouden, de hersenen werken optimaal wanneer een situatie plaatsvindt die veel indruk achterlaat. Denk bijvoorbeeld aan de eerste keer dat blijkt dat je magie bezit. Het laat zo’n indruk achter dat je je hele leven, de precieze gebeurtenis kan herinneren.
Toen ik beneden ik de kamer kwam zat mijn vader daar met mijn moeder. De uitdrukkingen op hun gezicht stonden lichtelijk bezorgd. Mijn vader schraapte zijn keel en gebaarde me dat ik moest gaan zitten. Ik snapte niet waarom ik in mijn eentje naar beneden geroepen was. Meestal werden familiezaken met het hele gezin besproken, maar het leek er niet op dat mijn vader aanstalten deed om mijn zusje te roepen. Het waren geen familiezaken. Op die dag kreeg ik te horen wat er van me verwacht werd. Wat een heks van mijn stand, met mijn bloedzuiverheid geacht werd te doen. “Je zult trouwen met een tovenaar van zuiver bloed”, deelde mijn vader mij mede. In zijn stem klonk iets van strengheid. Hij zou geen tegenspraak dulden. “Dat weet ik, ik had nooit de intentie om te trouwen met een bloedverrader”, sprak ik, half verwachtend dat de spanning die in mijn vaders stem lag zou verdwijnen nu ik dit gezegd had. “Je begrijpt het niet,” zei mijn moeder zachtjes, haar stem kwam nauwelijks boven het geknetter van het haardvuur uit. De zachtheid en onzekerheid waarmee ze sprak, bracht me op het verkeerde been, ik voelde lichte spanning bij me opkomen. “Hoe bedoelen jullie, ik begrijp het verkeerd?” Mijn ogen flitsten van mijn vader, naar mijn moeder en terug. “Je bent uitgehuwelijkt.” “Wat?” ik was er bijna zeker van dat ik mijn vader verkeerd verstaan had. “Je zult trouwen met Benno Zabini, je bent uitgehuwelijkt,” herhaalde mijn vader. De verdere informatie maakte dat de woorden harder binnen kwamen. Ik voelde me duizelig worden.
Mijn vader duldde inderdaad geen tegenspraak. Ik zou trouwen enkele jaren na mijn schooltijd. Nu stond ik hier; mijn bruidsgewaad aan en naast Benno Zabini.
Deze laatste draaide zich naar mij om toen hij beweging hoorde. Hij glimlachte lichtjes en gebaarde naar de trap, waar bovenaan mijn vader stond te wachten.
“Kom.”
Een enkel woord, zacht gezegd, maar toch liet ik me leiden. Boven aan de trap nam mijn vader mijn arm en wachtte hij totdat de bruidegom naar voren was gelopen. Ik bedacht me hoe verschrikkelijk hypocriet het was dat ik net door het halve park was gelopen, arm in arm met mijn verloofde. Ik moest nu eerst weer met mijn vader meelopen, om vervolgens te worden overgedragen aan Benno.
Benno stond inmiddels al voor in de kerk, op een klein podium en draaide zich om naar de deur. Naar mij. Toen ik aan mijn vaders arm de kerk in liep, voelde ik dat alle ogen op mij gericht waren. Het gaf me een onbehagelijk gevoel, wat me bijna deed sidderen. Na wat een eeuwigheid leek te duren bereikten we mijn verloofde en de man die ons huwelijk zou sluiten. De Stik de Moord lag ademloos op mijn schouder, terwijl ik de woorden van de man monotoon door de kerk hoorde galmen. De precieze betekenis van de woorden werden mij niet duidelijk. Het was alsof er een dichte zware wolk over mij heen hing. In mijn gedachten zag ik me het bruidsboeket uit de handen van Benno trekken en die naar Astoria Goedleers gooien. De enige persoon die verantwoordelijk leek te zijn voor mijn huidige situatie. Woede groeide in me en ik voelde mijn hand licht beven. ‘Wat dacht iedereen nou?’ vroeg ik mezelf af. ‘Verwacht iedereen dat ik, te besturen ben? Dat ik een Necroot ben onder hun wil?’ Mijn ogen vulde zich met tranen. Ik boog mijn hoofd en liet het brandende gevoel van mijn tranen mijn woede voeden. Mijn ademhaling werd sterker. Ik voelde alsof ik uit het nest was gegooid.
Een van de jongen van de vogels van het nestje was omgekomen bij een zware storm. Hij had op de rotsen gestaan, zijn vleugels gespreid en vol vertrouwen zette hij zich af als bij elke andere normale dag. Het eerste stuk van de val verliep voorspoedig, maar op het moment dat hij zijn vleugels uitsloeg om wind te vangen, rukte deze hard aan zijn vleugels. De vogel was onervaren en het weer was slecht. De vogel sloeg te pletter tegen de rotsen.
“Ja, ik wil,” hoorde ik Benno zeggen. Nu zou de vraag terugkaatsen naar mij. “Neemt gij, Patty Park, Benno Zabini tot uw wettige echtgenoot, in voor en tegenspoed, in ziekte en gezondheid, tot de dood u scheidt?” Ik zweeg.
Het was nu of nooit. Ik gooide de Stik de Moord van me af en begon aan mijn vrije val. Niet wetend of de wind me zou leiden of zou werpen. Dit was mijn beslissing. Dit was de vlucht van de haas.
~~
|